Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een bekommerde. Er zijn er toch velen, ja vele echte Christenen, die hen als echt hebben gekeurd, en daarom kan er dan in dien toestand worden volhard. „Want iemand kan het toch zichzelven niet geven?" Maar daarbij blijft het dan niet. Wat aan geloof ontbreekt, wordt dan met wettische werkheiligheid aangevuld en ziet, daar verrijst de Farizeèr, vol heilige waardigheid en verheft zich tegenover de eenvoudigheid des Evangelies en tracht ter neder te werpen, wat in waar geloof zich aan Jezus vastklemt, steunende op den eenigen Borg en Middelaar. En wanneer dezulken worden vermaand om toch de ordinantiën des Heeren te betrachten, zooals b.v. om Hem te erkennen als den Koning zijner kerk en zijnen dood te verkondigen aan het Heilig Avondmaal, dan trekken ze zich terug en zeggen dan, dat ze daartoe nog geen licht hebben verkregen, of dat ze nog zoo ver niet zijn. Zoo is er eene poging om God en de wereld te dienen, vroom te heeten en nochtans een_ vijand Gods te zijn. En daartegen moet met alle kracht gewaarschuwd, want velen zijn in dezen strik en strekken zichzelven en anderen ten verderve.

Tegen al dergelijke afdwaling nu roepen we met den Apostel U toe: „Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in U is?" Staat dus af van al dat zoeken van hooge dingen, van dat groot willen zijn in wettische werkheiligheid en onderzoekt uw hart of Jezus Christus in U is. Dit zult ge toch niet durven ontkennen, waar ge met uwe zonden, met uwe ellende, geene andere Toevlucht kent dan Jezus Christus, die aan het kruis stierf voor onze zonden en nu aan 's Vaders rechterhand is verhoogd. Niet een rusten op een „zoeken" of „bekommerd zijn", maar gestadige onderzoeking en beproeving van uw hart en niet rusten voor ge weer de levensader hebt gevonden en ge weer moogt belijden voor uw God, dat toch de diepte uws harten naar Hem uitgaat. Ziet, dan zal er weer geloofswerkzaamheid ontstaan, het verscholene zal te voorschijn treden, er zal worden geworsteld in de gebeden. En in die geloofswerkzaamheid zal de geloofskracht toenemen. Het kleine vonkske zal tot een kolenvuur worden en bij oogenblikken zal de gloed ach in woord en daad met kracht openbaren.

Zoo hoort ge dan, gemeente des Heeren, dat we uw belijdenis niet in twijfel willen trekken, maar integendeel U tot openbaring dier belijdenis in uw leven wenschen op te wekken. Want ge moet hier

Sluiten