Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is het niet vreeslijk, dat men, als er sprake is van getrouwheid in de bediening van zijn ambt geen schuld kan gevoelen, omdat men feitelijk de duizenden, die niet langer van de Kerk of van eene bepaalde richting in de Kerk gediend zijn, heeft afgeschreven ?

En geldt dit niet van alle groepen of partijen?

Wat beteekent de eisch van persoonlijke schuldbelijdenis, zoolang men dit niet gevoelt ?

Het is de vloek van het individualisme, dat het de verantwoordelijkheid legt op den enkele, en hem, die zich in ernst, naar het licht hem gegeven, van die verantwoordelijkheid zoekt te kwijten, tot een gevaar maakt voor alle anderen.

Zoolang men in de Hervormde kerk geeft en neemt, het niet al te ernstig opneemt, en het anderen groepen niet onmogelijk maakt te bestaan; zoolang ook de partijen elkander in evenwicht houden, kan men vrede hebben met het bestaande.

Zij kunnen dit niet nader toelichten, zonder allerlei gevoeligheden te kwetsen. Maar het is éénzelfde lijden dat door niet-confessioneelen en confessioneëlen, niet-gezangen-zingers en gezangen-zingers wordt gevoeld, indien het hun door medeleden wordt aangedaan, die zij alleen als tegenstanders kennen.

En zullen ondergeteekenden nu eene schuldbelijdenis voorleggen, die alle leden van de Kerk als zóódanig zou gelden?

Zij zouden moeten aanvangen met de schuld van onze vaderen; zij zouden een stuk van onze geschiedenis hebben over te schrijven om aan te toonen, dat de schuld, die men op Willem I heeft geladen en in hem heeft vergoelijkt, tehuis behoort bij hen, die de Kerk van hare macht en vrijheid hebben beroofd opdat zij het onprótestantsch beginsel bij haar zouden kunnen indragen, dat aan de dwaling, zoolang men zelf niet met de organisatie heeft gebroken, zeker bestaansrecht in de Hervormde Kerk verzekert.

Maar, wie dit alles weten wil, kan het te weten komen. En wie het zegt, zoolang God het volk geen ooren geeft om te hooren, kan het woord van den Heiland op zichzelven toepassen : „Indien ik het u zeg, gij zult het toch niet gelooven".

Vóór de doleantie werd het uitgesproken: „Indien gij het in den vorm van stellingen zegt, kunnen wij eerst redeneeren". De stellingen

Sluiten