Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Broeders van Rustenburg haalden van Pieter Maritsburg den Weleerwaarden Heer D. Postma af en den lOden November 1858 arriveerde Zijneerwaarde te Rustenburg.

De Weleerwaarde Ds. van der Hoef, de eenigste Predikant in deze Republiek, had met zijnen Kerker aad drie Kerkelijke Vergaderingen bepaald, bij dewelke de Weleerwaarde Heer D. Postma ook werd uitgenoodigd, nl. te Potchefs troom, Rustenburg en Pretoria, en op laatstgenoemde plaats zat de Algemeene Kerkvergadering.

Den lOden Januarij 1859. Veel werd op de drie Vergaderingen gesproken overhetlaten zingen van de Evangelische Gezangen, of nl. de Leeraren verplicht zouden worden uit dezelve bij den Openbaren Godsdienst op te geven, dan of dit aan hunne eigene keus zoude worden overgelaten? Sommigen drongen er op aan dat ze in 't geheel uit de Kerk zouden worden weggelaten, anderen wilden het overlaten aan de keus der Leeraren, de meesten echter wilden de Leeraren daartoe verplicht hebben.

De Weleerwaarde Heer Postma werd gevraagd zich ook over deze zaak te verklaren, die dit woordelijk deed als volgt:

"Aangaande het zingen van Gezatigen in de Kerk, waarvan de tekst niet in den Bijbel staat, is mijn oordeel k«rt en eenvoudig:

1°. Heeft eene Kerk zoodanige met vrede van de Gemeente in 't gemeen, en zijn ze rechtzinnig, dan durf ik die Kerk daarin niet veroordeelen, noch haar daarover bemoeielijken, gelijk ik op mijne doorreis betoond heb.

2°. Maar houdt de Kerk zich alleen aan de Gezangen, ' waarvan de tekst in den Bijbel gevonden wordt, die is zeker op den veiligsten weg. En dezen weg kan ik met volle vrijmoedigheid bewandelen.

3°. Zijn er dus sommige leden gemoedelijk bezwaard over het zingen van Gezangen in de Openbare Godsdienstoefening, waarvan de tekst niet in den Bijbel gevonden wordt, dan dienen de anderen het ook na te laten, want hierdoor zullen zij, uit broederliefde eene ergernis wegnemen, al waren zij zeiven er nog niet van overtuigd. En dat te eerder daar men de Psalmen met eene vereenigde stem kan zingen. CRom. 14.)

4°. Kan men dat echter nog niet verkrijgen, dan raad ik, dat de Algemeene Kerkvergadering het aan de wijsheid en het geweten van eiken Leeraar overlaat om hierin te han delen naar zijn geweten, met inachtneming van den toestand der Gemeente; ten einde er om deze zaak geene verdeeldheid noch scheuring plaats vinde."

Sluiten