Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WANDELAAR.

Wel ben ook ik hier vreemd, als gij,

o Droevige, eedle boomen! Uit schooner oord reeds vroeg verplant

Aan onbekende stroomen; En wat u in het binnenst woelt, Heeft ook mijn wenschend hart gevoeld.

't Verlangen naar het Vaderland Spreekt ook in 't angstig zwijgen;

Het drukt zich uit in 's menschen oog, Zoowel als in de twijgen;

Doch vreemden zoeken onbewust

Elkander op aan elke kust.

17.

De Wandelaar en de Vruchtboom.

Een Wandelaar kwam eens, vermoeid en afgemat van zijne pelgrimsreis, langs eenen Vruchtboom, en daar het juist in den oogsttijd was, zoo zocht hij met verlangende oogen naar eenige rijpe vruchten, om zich een weinig te verkwikken. Haar hij vond niets, dan hier en daar een' enkelen laten bloesem, en hij wilde dus mismoedig zijne reis voortzetten.

Toen was het den Pelgrim , alsof de boom zijne takken bewoog, en alsof hij, onder het zachte suizelen van het windje tusschen de bladeren, eene stem vernam, die tot hem aldus sprak: » Wees niet toornig op mij, o Pelgrim! omdat ik u geene vruchten aan-

3

Sluiten