Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goudgele bremtrossen buigen zich vriendlijk daarover ter neder;

Vlier- en jasmijnbloem vermengen haar' lieflijken geur

met elkander ; Teedre twijgjes van den treurwilg omgolven zacht

suizlend de heuvels; Groenende linden bestrooijen de graven met geurige

bloesems,

En slechts de roerende klaagtoon des nachtegaals galmt

om de graven. Zelfs geen gernisch, geen gefluister verbreekt hier de

doodlijke stilte, 't Klagen der treurige liefde, of de juichende klanken

der vreugde,

Of óok de treurtoon der smart, of de bittere traan

der verlaatnen, 't Dringt niet in 't stille verblijf, waar de dooden zoo

vreedzaam thans sluimren; Zelfs ook het lieflijke zonlicht is achter de kimmen

gezonken;

Slechts het gesternte omstraalt mij en flikkert in

zwijgenden luister. Scheemrend en bleek blikt de maan ginds ter neêr

op het sluimrend aardrijk , Maar ach het waakt niet op uit de zoo diep zwijgende

sluimring.

Ook deze vreedzame dooden, hoe slapen zij vast in hun graven!

Zouden zij nimmer dan weêr uit hunn' ijzeren doodslaap ontwaken,

Zoude geen lichtstraal immer deze donkere heuvels doordringen ?

Maar deze bloesems der lente, die geurig den graven ontspruiten,

Zijn mij een beeld, dat de graven ook eenmaal hun prooi weêr hergeven.

Sluiten