Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo laat ontwaakte Natuur schijnt te zijn; maar zoo ook de mensch: zet den Laplander van tusschen zijne ijsbergen-in het bekoorlijk Ifizsa, waar geene stormen loeijen en geene winterkoude heerscht, hij zal eerlang naar zijne sneeuw- en ijsvelden terugverlangen. "Wat heerlijk lot ook den mensch in de vreemdelingschap toeve, niets geneest hem geheel van eene heimkrankte, zoo groot, dat wij haar zelfs eene ziekte achten te zijn, die zeker het levensbeginsel zoo sterk aantast, als eenige andere ziekte.

Het dubbele heimwee naar het aardsche of naar het Hemelsche Vaderland, hoe zelden wordt het hier gestild ! de dood slechts maakt een einde aan hetzelve, en, zoo wij gelooven, voor de echte heimkranken voor eeuwig.

. De mensch zonder verlangen- naar een Vaderland, wat is zijn beeld, zijn toestand treurig, als gij zijne gelijkenis gadeslaat in den ooijevaar, die niet met zijne makkers medegaat, in de zwaluw, die terugblijft, ol in den nachtegaal in een eng kooitje opgesloten? zoo en niet anders is ook hij, als hij het heimwee naar een beter Vaderland verliest.

Arme mensch ! wat zou de Natuur u leeren kunnen, zoo gij slechts achtwildet geven! Uw heimwee,' dat zoudt gij dan zien, ware een van de natuurlijkste trekken uwer ziel. En dat heimwee doodt gij, in plaats van het te veredelen! Dat stille zwijgende verlangen in uwen boezem vernietigt gij onder duizende verstroöïjingen, in plaats van het te volmaken tot het heerlijke doel des Scheppers, de hoop op een beter zijn, met al hare schoone vruchten!

Sluiten