Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdragen; het zwol op, wierp blazende eenen straal van vergif uit, en kroop sissende in zijn donker hol terug, van waar het als een boosaardige demon uit de duisternis gluurde. Maar het vliegje was gered, en ontvlood het gevaar.

Toen was het den jongeling, alsof een sluijer van voor zijne oogen weggerukt werd. »Zoo," sprak bij, »loerde ook een boosaardige demon op mij, en had mij bijna in de netten der zonde verstrikt, de stem mijns gewetens verdoofd en mij met zijnen vergiftigen adem bezwalkt!— Maar God waakte nog; zijne goedheid is groot ; Hij heeft mij nog eens gewaarschuwd ; ik zal mij losrukken van hem, die slechts mijn verderf zoekt. Neen, het met ondeugden bevlekte pad, waarop hij mij leiden wil, is de weg tot ware grootheid niet!"

Thans vloog een fraai gekleurde vlinder voor hem op, en verhief zich hoog in de lucht. »Ach!" dacht hij, »kon ik mij, als deze schoone vlinder, door eigene kracht omhoog heffen, het gevoel mijner eigene waarde zou mij daar wel staande houden !"

Maar zie, een vogel schoot plotseling uit de wolken op den vlinder toe , en had hem, die zich nergens verbergen kon, eer hij het voorzag, gevangen en verscheurd.

• Neen," dacht de jongeling nu, «in uitwendigen glans alleen woont het geluk niet; ook in de hoogte moet men het niet zoeken, en wie zich op eigene kracht en waarde verlaat, zie ik wel, die is verloren. Waar zal ik dan de ware grootheid en het blijvend geluk vinden?"

Sluiten