Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35.

Wolkenbeelden.

Op een' van die korte dagen, wanneer zioh de zon slechts weinige uren aan het menschelijk oog vertoont, zat mijne zuster eenzaam in hare kamer, en aanschouwde den vroegen ondergang van dit schoone hemellicht.

Kleine witte wolkjes stegen aan den westelijken horizon omhoog, en dansten aan het azuurblaauw hemelgewelf rond. Allengs namen zij de verschillcndste gedaanten aan, kleurden zich lichtgeel en oranje, en schitterden eindelijk in purperen gloed, als lichte hemelbewoners vlugfig rondfladderende.

» Gij schoone wolkenbeelden," sprak mijne zuster , »die in hoogere lichtere ruimten vrolijk rondzweeft ! omhult gij met uwen golvenden nevelsluijer de geheimen eener andere wereld, den ingang in een beter Vadërland, welker reine lichtstralen mij door uwen golvenden sluijer uit de verte toeschemeren; of zijt gij de boden van dit scheidende hemellicht, die ons haren afscheidgroet brengt en troostend hare spoedige wederkomst verkondigt ■? Hoe gaarne aanschouwt mijn oog uwen schoonen , maar al te vlugtigen glans ! Gelijk gij, huppelde ook ik eens als kind vrolijk en luchtig door het leven; de rooskleurige beelden der jeugd zweefden in den schoonsten glans om mij heen, en mijne levendige fantasie tooverde mij het beeld der vrolijke toekomst in 'liefelijke kleuren voor de eogen."

Sluiten