Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46.

Nog wil ik uit mijne eigene ondervinding twee gedachten, mij door de Natnnr toegesproken,- mededeelen, en dan moge een hooger licht, dat der Openbaring onze" oogen bestralen, om ons te doen zien, uit welk oogpunt de Godheid vordert, dat de mensch de Natuur beschouwe.

Het gebeurde mij eens, dat de menschenwereld van hare donkere zijde zich telkens op nieuws voor mijnen geest vertoonde. Ik zag haar in hare boosheid, hardheid en verlorenheid, en het sombere raadsel van 's menschen diep bederf kwam mij steeds van nieuws voor den geest, zonder dat ik eenig bemoedigend antwoord op dezen treurigen toestand vinden konde. Toen wandelde ik eens door een ruim grasveld. Daar zag ik onderscheidene soorten van gras; onder deze waren de fijnste en zachtste plantjes, en ook de zoo ergerlijke stootpollen, misschien zoo genoemd, omdat zij den landman steeds een steen des aanstoots zijn. (*) Ik zag ze in derzelver onderscheidene waarde en afdalend nut. De eene weide was rijk in goed gras; de beste soorten tierden er; de andere was er arm in; er wiessen slechts lischsoorten en stootpollen. Toen dacht ik: hoe zonderling! de beste akkers leveren steeds het beste gras; waar de zorg des landmans echter in zorgeloosheid overgaat, daar

(*) In andere streken ook vrel buntp'oüen genoemd, een bard en onvoedzaam gras, dat slechts verdient uitgeworpen te Vforden.

Sluiten