Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alzoo ook de voorbode onzer onsterfelijkheid, of althans een beeld van baar is, ja van dien tijd, wanneer alle nacht wegzinkt en het eeuwig morgenlicht rijzen zal, als wij gindsche betere werelden zullen bewonen en misschien ook de morgenster bezoeken zullen.

Zoo mag dan misschien ook dit wel de reden zijn, waarom mij altijd, wanneer ik de morgenster aan den hemel zie dagen, gindsche verhevene gedachten in het schoone Boek van job voor den geest komen:

• Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen. En al de kinderen Gods juichten."

Ik heb daarover mijne eigene gedachte, en als ik^ zoo kort na die morgenster, dêfl komenden dag aanschouw, dat bekoorlijke beeld van Gods scheppingsgeschiedenis, dan is het geen'wonder, dat ik denk: •Gij juichtet niet teft'Onregte, gij sterren! noch ook gij; kinderen Gods ! niet zonder réden, toén gij de eerste'maal al dit schoon aanschouwdet."

Bie schoone spreuk staat, opdat ik iets tot hareik uitleg Zegge, in het begin van het heerlijk gesprek, hetwelk de Allerhoogste: IVoert, zoowel tot beschaming van jobs vrienden, als tot overtttiging van hem zelvetf , dat dé Eeuwige nimmer faalt in zijne hanÜ'éïingen.

Dit Boek konde nooit op eene Waardigeï'^Wyze^i»* digen.

Toen der vrienden redenering den zwaar beproefden job niet tot bekentenis van schuld konde brengen ; toen jobs welsprekendheid te vergeefs hunne

W?M 10*

Sluiten