Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig , dat zij ons ruitne stof tot nadenken , ja eenen rijken schat van schoone gedachten' voor den geest brengen zal:

• Wie, toen de aarde op hare grefndzüilén gevestigd werd, wie was Mij toen nabij, toen de morgensterren vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten ?"

De Allerhoogste verhaalt hier de bijzonderheid der scheppingsgeschiedenis, dat de morgensterren zongen , en al de kinderen Gods juichten.

Er was dus een blij gezang onder de bewoners der sterren, onder de kinderen Gods, toen de Allerhoogste de aarde op hare grondzuilen vestigde; ja, toen was er een vrolijk gezang en een blij gejuich in den Hemel. Menschen konden zich nog niet verheugen, zij waren er niet; het waren dus Engelen, hoogere wezens, vroegere schepsels, zoodanige, die de werkzaamheden Gods aanschouwden; zij zongen een gezang; zij juichten al zingende over de heerlijke schepping, en het schoone werk, dat zij aanschouwden. Zou dat gezang slechts geklonken hebben in het hemelruim, zonder dat de toonen voor den sterveling bewaard bleven; zou liet gejuieb der kinketen Gods ons niet öpgeteekend zijn tot eene* blijde 'herinnering van de wording der aarde ? 'de^cbepprng "diskoer schoone wéreld P

De Allerhoogste, die hier melding ïiaakte van dat gezang der Engelen, en van het gejuich dór morgensterren, deed dit heerlijk lied Ook optéekenen, en "gaf het ons, opdat wij óns zouden" vérblijden en medejuichen,-

Sluiten