Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het water in de wolken zamen, en verschaft zich ruimte; Hij houwt en vestigt zijnen troon; Hij omringt denzelven van huiten, en hangt er een tapijt van dikke wolken omhenen. Dan meet Hij de grenzen des hemels en der wateren, en past dezelve af tot daar, waar licht en duisternis ineenvloeijen, dat is tot aan het einde van den horizon. Hier schildert hij de magt des Opperwezens in den donder, en verheft die schildering zelfs in storm en onweder op de zee. De golven zijn hier de opstandelingen, die Hij voor zich henen drijft en plotselijk weet te betoomen. — Een adem zijns monds, en de zee is stil, de hemel is helder, de slang alleen (een heeld in meer andere plaatsen voorkomende: het zeegedrogt dier streken, de krokodil, of wel de kabbelende golven der zee, die zijne hand glad strijkt en effent) wordt door zijne hand gedood. Wat het ook voorstelle, het beeld wordt met zulk eene verhevene schoone stilte geëindigd, als het met een ontzettend geweld en rumoer begon. En dat zegt job is slechts:

»Het fluistren van zijn stem. — Wie kan zijn' donder vatten ?''

Elke morgen, wanneer de dag uit den nacht verrijst , elk onweder op zee stelt ons dit prachtig beeld voor oogen.—

Nemen wij thans de lofrede van den verrukten elihü , welke het laatste en heerlijke orakel van God zeiven onmiddellijk voorafgaat.

Al aanstonds echter valt bet in het oog, dat deze lofrede slechts als eene schaduw voorkomt, om de

Sluiten