Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun gebied, hunne grenzen. Eene geheel dichterlijke wereld en wereldbeschrijving.

» Zijt ge in mijn voorraadschuur der sneeuw wel

ooit gekomen ? Hebt gij mijn magazijn van hagel ooit gezien, Dien 'k opleg en bewaar, totdat de nood het vordert, Bij 'svijands aanval, tot verwering in den strijd?"

Fijne spot straalt overal in dit gedicht door. God is bang voor eenen aanval zijner vijanden, en heeft zich daarboven pakhuizen, als wapenkamers, met hagel gevuld en bewaard. In de wolken en in de diepte, alles is vol poëzij. »Wat weg heen deelt zich 't licht, Boor 't oosten over de aarde in stroomen uitgegoten? Wie groef een' waterloop voor 't stortend regenplassen ?

Wie wees en leidde op weg de zwangre donderwolk, Om 't onbewoonde land met regen te verkwikken;. Ja zelfs de woestenij, waar zich geen mensch bevindt, De dorste wildernis ook volop te verzaadgen, | En 't eenzaam scheutje gras uit de aard' te doen

ontspruiten ? Zeg, wie is vader van den regen? Wie heeft de droplen dauw geteld? Wiens schoot bragt eens het ijs te voorschijn ? Wie beeft des hemels rijm gebaard? De watren bergen zich en worden dan als steen, En 't vlak des oceaans in boeijen vastgekluisterd."

Rijke poëzij over hemel en aarde 1 Boven , waar stroomen lichts worden uitgestort, en de ooste-

Sluiten