Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne wijze gelukkig, — elk voert Gods eigen taal tot den sterveling. Nu komen de drie schoonste beschrijvingen, die van den struisvogel, van het paard en van den arend. Zij vormen een heerlijk beslait van de zeven Dierenbeelden.

» Wat vleugel is dat toch, die daar zoo vrolijk klapwiek t?

Is 't pluim en pen des ooivaars ?

Neen 1 aan den blooten grond vertrouwt zij hare eiren ;

Zij laat ze in 't zand verwarmen ;

Zij denkt niet, dat een voet ze kan verkneuzen(

Een wild dier ze vertrappen;

Ze is hard voor hare kindren ;

Zij zijn de hare niet;

Haar arbeid is vergeefs, maar 't baart haar zorg, noch kommer ;

Geheugen en verstand zijn haar door God onthouden;

Met overleg heeft Hij haar niet bedeeld;

Maar rekt en spoort zij zich tot loopen,

Dan lacht zij in haar vlugt met ruiter en met ros.

Hebt gij aan 't paard dien trotschen moed gegeven?

Hebt gij zijn' hals getooid met 't prachtig manenhaar?

Schrikt gij hem op gelijk een sprinkhaan?

't Gehinnik en gesnuif des paards is heerlijk ;

Hij scharrelt met zijn' hoef op de aarde,

En, dartel in zijn' moed, ijlt hij naar 't wapentuig,

Al lagchend met de vrees; ontzetting kent hij niet;

Hij deinst of wijkt niet voor het zwaard;

Laat pijlen om hem henen snorren,

Laat spies en lans hem tegenglinstren,

Hij trappelt woelig en onrustig op den grond,

16

Sluiten