Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eiï kan niet stilstaan op het steken der trompet; -Zij klinkt met luider toon, hij snuift én briescht haar

tegen, | En riekt den strijd van ver,

En 't donderwoord des Veldheers, en 'skrijgsmans veldgeschrei.

Is het uw overleg, hoe ginds de sperwer vliegt,

En naar het zuiden spreidt zijn vlerken?

Is 't uw bevel, dat de adelaar zich opheft in de steilte ,

Dat hij, zijn nest zoo hoog vervaardigt?

De rots bewoont hij en vernacht daar

Hoog op den steilen top der ontoegangbre rotsen ;

Van daar speurt hij zijn' roof;

Zijn oog blikt in de verte;

Zijn jongen slurpen bloed,

En waar gedooden zijn, daar is ook bij te vinden."

Letten wij hier op de trotschheid van al deze drie beschrijvingen. De struis wordt in zijn klapwieken zoo zegepralend geschilderd, dat hij door plotselijke verbazing niet eens genoemd wordt, en, als een reus in vlugt en loop, met vreugdekreten zich zeiven afmaalt. Zijne vergeetachtige domheid wordt wijsheid des Scheppers, die hem, bij zijne schuwe, vreesachtige leefwijze in de woestijn, goedgunstig daarmede bedeeld heeft. Had hij meer nagedachten en was bij teêrhartiger, dan zouden zijne verlatene jongen hem harteleed veroorzaken; daarom heeft hem God het verstand onthouden, en hem het woeste geschreeuw der vreugde en zijnen gevleugelden loop gegeven.

Sluiten