Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beschrijving van het paard is welligt de edelste, die er ooit van gemaakt is, zoo als ook de landstreek , alwaar dit boek geschreven werd, de edelste paarden bezat. Hier is het paard, waarvoor het ook door de Arabieren gehouden wordt, een verstandig, moedig, krijgshaftig wezen, een deelgenoot der zege: zijn hinneken behoort mede tot het krijgsgeschrei der helden.

De arend eindelijk, in zijne sleil opgaande vlagt, met zijn' beheersehersblik, in zijn' koninklijken burg, met zijn' bloeddorst, in Zijne roofzuchtige overaltegenwoordigheid, besluit deze tafereelen als Koning der gevleugelden , zoo ah de leeuw als Koning der landdieren dezelve begon.

Maar hoezeer job, door de vorige rede van God tot erkentenis en diep gevoel van zijne geringheid gebragt, van alle verdediging zijner zaak voor den regterstoel van God openlijk had afgezien, achtte nogtans de Goddelijke Wijsheid eene tweede toespraak noodig, en daarin vinden wij weder eene overheerlijke beschrijving van twee monsters, den behemot en den leviathan (het Nijlpaard en den krokodil) namelijk.

Job XL: 10, enz. tot XLI ten einde.

• De behemot, dien Ik zoowel als u formeerde,

Zie, hij eet gras gelijk een rund.

Wat kracht heeft hij in zijne lendnen

En wat vermogen in de spieren van zijn' buik 1

Hij kromt zijn' staart gelijk een' ceder;

Zijn zenuwweefsel is als zaamgevlochten takken;

16 *

Sluiten