Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, die zijne ziel bestormden, den avondstond genaken, den nacht nederdalen; ach,! de zon, die hem menigmaal "in haren prachtigen luister, als zij wegzonk, tot een verheven schouwspel verstrekte, deed hem nu sléchts zooveel te angstiger het oogenblik te gemoet zien, waarin de duisternis hem zou omgeven.

Wat bleef den armen jongeling over ? wat anders, dan dat hij zich een' steen uitkoos, waarop hij zijn hoofd ter neder konde leggen, wanneer hij zich ter ruste wilde begeven, ol Gewis in deze ure, terwijl zijne gansche ziel in strijd was, in strijd met zorgen, met angsten, in strijd met zijn geweten, rigtte bij zijne oogen hemelwaarts, en bad den God zijner Vaderen, dat Hij hem vergeven, dat Hij hem genadig mogte zijn. Al ware het, dat zijn schuldig geweten hem den moed des gcloofs ontnam, zijne ziel vond evenwel ruste in de gedachte aan God.

En zou de Eeuwige Liefde hare vergevensgezindé genade den armen jongeling onthouden ? o Neen, zoo handelt zij niet! Medelijdend stortte de slaap zich over de oogen des jongelings, en in dien slaap deed God hem in eenen droom een gezigt zien, hetwelk hem tot in zijnen hoogsten ouderdom met blijde hoop , vast vertrouwen, onwrikbaar geloof vervulleU moest. In den droom zag hij eene ladder, die op de aarde stond, en welks opperste tot aan den hemel reikte, en ziet de Engelen Gods klommen bij dezelve op en neder, en de Heer stond boven dezelve. Eenvoudig, verheven, roerend tooneel 1 Kon er wel iets gevonden worden, dat des jongelings hart

Sluiten