Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had, en hoe het dan eigenlijk voor een* gruwel gold, niet reine dieren aan te brengen, zien wij uit Hoofdst. XXXVIII. Er mogten geene andere, dan roode varren, geofferd worden, en een enkel zwart haar maakte dezelve onrein. Bovendien kwam het nog op een aantal kenteekenen aan. Tong en staart moesten naauwkeurig onderzocht worden, enz. Elk offerdier moest, na gedaan onderzoek, tot bekrachtiging daarvan, op de horens bezegeld worden. Een onbezegeld dier te offeren, was, op straffe des doods, verboden.

Ditmaal werd Gosen gespaard. Hoe merkwaardig moest het den volke zijn, dat de Heer zeide: > Tot hier toe en niet verder!" Elke plaag Gods heeft haren afgemetenen weg. Hoe merkwaardig is dit ook nog, wanneer bij kevers, slakken, muizen, veepest, brand, hagel, of wat dies meer zij, de een gespaard wordt, de ander weinig, veel, of alles verliest! Ook hier spreekt God tot den mensch, hem Ieerende, dat Hij steeds den weg aan alle ramp wijst, en de ziel, die in Hem gelooft, sparen kan.

VIJFDE PLAAG. Veepest.

Met betrekking tot de vijfde plaag, het sterven van het vee, wordt te regt aangemerkt, dat Jehova den strijd tegen den hardnekkigen sterveling hoe langer hoe ernstiger voert. Tot hier toe had Hij zijnen ongebrokenen wil gezocht te buigen met plagen, die meer moeijelijk dan schadelijk waren. Het bloed baarde walging en afgrijzen ; de vorschen verwekten

Sluiten