Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en die zeker haren pleitbezorger heeft in onze onderlinge liefde tot den man, wiens voorbeeld ik schetsen zal.

Bedrieg ik mij niet, dan staat hij reeds, bij het woord kanselwelsprekendheid, voor uwe verbeelding, gelijk wij hem zoo dikwerf gezien hebben, als hij was opgetreden voor de ontelbare schare, die van hem het Evangelie wilde hooren. Welk een edele, rijzige gestalte! Hoe majestueusch dat hooggewelfde voorhoofd! Welk eene waardigheid in houding en gebaar! Nog spreekt hij niet, en toch luistert men. Hij opent zijne lippen: welk een helder, krachtig, nielodieusch geluid! Op plegtstatigen toon wordt het voorgebed uitgesproken. Hoe sticht het reeds, en nog meer het voorlezen van het gezang, dat de gemeente zal aanstemmen! Wie nu de vergadering verlaten moet, hij is niet vergeefs tegenwoordig geweest; zijn godsdienstig gevoel heeft een diepen indruk van eerbied voor den Heiligen ontvangen. — De tekst is gelezen, de Bijbel weggelegd opdat den redenaar niets verhindere bij zijne gebaarmaking, en met uitgestrekte armen is de zegen gegeven. Hoe kalm vangt hij aan, als zal hij zijne woorden ons toewegen! Het wordt al stiller en stiller in de vergadering. Het minste geridsel is hoorbaar, en toch het wordt niet gehoord, omdat allen luisteren, terwijl hunne oogen

Sluiten