Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan hooger Providentieel bestuur; toch valt het geen oogenblik te betwijfelen, of deze inmenging heeft, veelszins van onware beginselen uitgaande, alle eeuwen door toestanden, die gezond hadden kunnen zijn, ongezond gemaakt; veelszins onze onderlinge verhoudingen vergiftigd; en namelooze ellende teweeggebracht, waar het geluk en de eere der natiën aller staatskunst's doel moest zijn.

De niet weg te nemen ongehjkheid tusschen mensch en mensch gaf den sterkere een overwicht over den zwakkere, en als gold het geen menschelijke samenleving, maar een samenleving van dieren, in wier wereld de vaste regel geldt que les plus forts mangent les plus faibles *), hebben de sterkeren, bijna als vaststaanden regel, alle usantie en alle magistrale ordinantie zóó weten te buigen, dat hunner het profijt en voor den zwakkere de schade was. Niet als de kannibaal zette men den tand in elkanders vleesch, maar de machtigere mergelde den zwakkere uit door een wapen waartegen geen verweer was. En waar de magistraat als dienaar Gods nog voor den zwakkere opkwam, wist de machtigere klasse der maatschappij welhaast zulk een overwegenden invloed op het staatsbestuur uit te oefenen, dat de Overheidsmacht, die den zwakkere had moeten beschermen, een instrument tegen hem werd. En dat niet omdat de machtiger man in zijn hart slechter was dan de zwakkere; want nauwlijks kwam er een uit de lagere klasse naar boven, of hij deed op zijn beurt even hard, ja, nog harder, aan het goddelooze onderdrukken van zijn vroegere standgenooten mede. Neen, de oorzaak van het kwaad lag daarin, dat men den mensch beschouwde als afgesneden van zijn eeuwige bestemming, hem niet eerde als naar den beelde Gods geschapen, en niet rekende met de majesteit des Heeren, die alleen machtig is, om een in zonde verzonken geslacht, door genade, in toom te houden. En zoo nu is reeds vanouds die ongerechtige toestand geboren, waarvan de Prediker zoo roerend klaagt: „Ik zag aan alle de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden, en zie, er waren de tranen der verdrukten, en aan de zijde hunner verdrukkers was macht; maar zij haddengeenen trooster.1' Een toestand als toen Nóboth vermoord werd, opdat Izébel zijn akker bij het koninklijk park van Achab zou trekken. Of wilt ge: een staat van zaken door onzen Heiland in den rijken man en den armenLazarus voor altoos gebrandmerkt; en waartegen Jacobus zijn apostolischen banvloek slingerde, toen hij schreef: „Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uwe ellendigheden die over u komen zullen. Zie, de loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept, en het geschrei

*) Dat de sterkere dieren de zwakkere opeten.

Sluiten