Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elke betere, aspiratie vloeken tegen den actueelen toestand. Immers gaat het zoo voort, dan wordt het al minder een hemel, en krijgt het al meer iets van een hel op aarde. Van den Christus raakt onze maatschappij los; voor den Mamon ligt ze in het stof gebogen; en door den rusteloozen prikkel van het brutaalst egoïsme, waggelen, gelijk de Psalmist klagen zou, de fundamenten der aarde. Alle binten en ankers van het maatschappelijk gebouw verschuiven; desorganisatie kweekt demoralisatie; en in de toenemende brooddronkenheid van den één tegenover het steeds klimmend gebrek van den ander, speurt ge eer iets van de ontbinding van het lijk, dan van den frisschen blos en de gespierde veerkracht eener bloeiende gezondheid.

Neen, zóó behoeft het niet te bhjven, het kan beter worden. En die beterschap ligt ongetwijfeld — ik deins voor het woord niet terug — op den socialistisehen weg, mits ge onder socialistisch nu maar niet verstaat het programma der Sociaal-democratie, maar in dit op zich zelf zoo schoone woord alleen uitspreekt, dat ook onze vaderlandsche maatschappij, om met Da Costa te spreken, „geen hoop zielen op een stuk grond is", maar een van God gewilde gemeenschap, een levend menschelijk organisme. Niet een mechanisme, uit deelen ineengezet; niet een mozaïek als brokkelvloer, gelijk Beets het noemt, ineengelegd; maar een lichaam met ledematen, staande onder de levenswet, dat we allen elkanders leden zijn, en dat dus het oog den voet niet, noch de voet het oog ontberen kan. Het is die menschehjke, die wetenschappelijke, die Christelijke waarheid, die door de Fransche Revolutie het diepst miskend, het stoutst geloochend, het grievendst in het aangezicht is geslagen; en het is in den grond der zaak tegen het uit die loochening geboren individualisme der Fransche Revolutie, dat geheel de sociale beweging van onzen tijd gekeerd is.

Ge vergist u dan ook, zoo ge waant, dat het hedendaagsch socialisme zijn oorsprong dankt aan de verwarde utopieën van dwepers, of geboren zou zijn uit het brein van hongerhjdende heethoofden. Immers Marlo, die het eerst „de organisatie van den arbeid" in drie dikke deelen aan de orde stelde, was een bij uitstek kundig hoogleeraar. Rodbertus, die nog vóór Karl Marx de sociale quaestie zelve bepleitte, was in 1848 minister van den koning van Pruisen geweest. Karei Marx zelf, de stichter der Internationale, behoorde tot de hoogste standen en was gehuwd in een ministerieele familie. Lasalle verkeerde in de kringen van de high life. Henri George is een Amerikaan uit den besten stand. En Schaeffle, - die. zoo ver gaat van bodem, werktuigen en kapiL taal collectief te willen maken, was in 1871 minister van den keizer van Oostenrijk. Men kon dan ook temet zekeren Homerischen lach haast

2

Sluiten