Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen: aan iets te denken en iets te bedenken. Wanneer óe Apostel de geloovigén verbood, aan de dingen die op aarde zijn te denken, dan zoude bij hen te gelijker tijd moeten gebieden , deze aarde te verlaten; want het is niet mogelijk voor denkende wezens, te midden van de dingen die op aarde zijn te leven, zonder er aan te denken. Er is dan ook veel dwaling in de christelijke kerk ontstaan, omdat men deze en dergelijke uitspraken, der Schrift, op die verkeerde wijze verstondDe gansche kluizenaars- en kloostergeschiedenis der Roomsche kerk is ten deele daaruit .voortgesproten, daar de dweepzuchtige geest in zijne ontstelde verbeelding meende, zich ergens, in eene afgelegene woestijn, eene hut te moeten bouwen, of zich tusschen vier muren te moeten opsluiten, ten einde op die wijze, aan deze aarde onttrokken, in staat te zijn niet meer te denken aan de dingen die op aarde zijn. De geschiedenis heeft echter bewezen, dat de mensch met dezen maatregel niets tot stand brengt, en dat het aardsebgezinde vleesch, zelfs in de stüle afeondering dikwijls nog ruim zooveel aan de dingen dezer aarde denkt, als wanneer het zich in het midden van het wereldsche leven bevindt. Ook is de Apostel zelf zijne gemeente in' zulk eene wijze van hemelschgezindheid niet voorgegaan , want wij zien hem gedurende meer dan 25 jaren de gansche aarde, van het oosten naar het westen doortrekken; hetzij predikende op de markt, hetzij reizende in het schip, hetzij arbeidende in zijne tentenmakejrswerkplaats, hetzij in de gevangenis biddende, psalmzingende ,'brieven schrijvende, of wel studerende in de boekeu en perkamenten, waarbij hij ook zijnen reismantel niet vergeet, dien hij te Troas terug gelaten heeft (2 Timoth i vs. 15). Alle deze dingen zouden den Apostel onmogelijk geweest zijn, ware het hem verboden geworden aan de dingen die op aarde zijn, te denken. En ook voor ons zou die zelfde zwarigheid bestaan, want wij weten dat het de wille Gods is, dat wij arbeiden voor ons dagelijksch brood en niet alleen dat wij arbeiden, maar ook dat wij met bekwaamheid , ijver en getrouwheid arbeiden. Nu is evenwel niets nadeeliger en verderfelijker voor allen goeden en bekwamen arbeid dan gedachteloosheid; en indien de Apostel ons verbood, over de dingen die op aarde zijn onze gedachten te laten gaan, dan zoude hij ons tevens verbieden goed, degelijk, bekwaam en getrouw werk te leveren. Doch hij begeert het tegendeel. Bij wil dat wij juist al die gedachten, die er tot een goed werk noodig zijn, bij onzen arbeid bepalen. Hij wil dat de handwerksman, de kunstenaar, de landbouwer , de koopman, wanneer zij in hnnnen aardschen arbeid bezig zijn, al hunne gedachten vestigen op hetgeen wat hunne hand te doen vindt, opdat zij door de bekwaamheid van hun werk bewijzen, dat

Sluiten