Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D

woordige naam-christendom geheel vleeschelijk is, daarom zwijgt het ook van die groote werken Gods, zoodra er slechts eenige schande of gevaar voor het vleesch mede verbonden is, en het verkoopt de heiligste en dierbaarste regten zijner kerk en school, omdat bet geene vrijmoedigheid heeft, de geweldhebbers dezer eeuw in het aangezigt tegen te spreken. Eene godzaligheid, die door de magthebbers geduld, en door den grooten hoop der meerderheid geprezen wordt, durft het tegenwoordige Christendom belijden en beoefenen; maar tegen den grooten stroom als een dam pal te staan, en de eer en regten Gods tegen den mensch te handhaven, — dat durft en kan het niet, omdat het alleen op zijne eigene kracht, geleerdheid, wijsheid en godzaligheid steunt, en niet aangedaan is met kracht uit de hoogte. Maar daarom zal dit geslachte ook overkomen, 'wat aan vleeschelijk Israël overkomen is, zijne tempelen zuilen vernield en zijne plaatsen zullen hem woest gelalen worden, omdat het in het vergankelijke vleesch gezaaid heeft, en daaruit verderfenisse maaijen zal.

Maar de gemeente Gods is niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in haar woont (Roin 8 vs. 9). En diezelfde Geest, die den eersten Pinksterprediker ontbocid heeft van zijne vleeschelijke banden, werkt ook in ons nog met eene kracht ter vrijmaking. Wel is waar, die Geest werkt in ons niet door teekenen en wonderen, gelijk in die dagen der eerste uitstorting, maar Hij woont nu ook eens vooral in ons, en heeft Zijn aanwezen niet meer in die zinnelijke verschijnselen te openbaren, aangezien Hij geen teekenen doet, waar zij niet noodig zijn. Of misschien ook zouden wij even als de eerste Christenen in staat zijn, krachten en teekenen te doen, indien wij niet door onze zonden en ongeloovigheid, de werkingeu des Geestes in ons belemmerden. Want dit is het eigenaardige des Geestes, dat Hij zich belemmeren en tegenwerken, ja bedroeven, ja uitblusschen laat (lThess V vs. 19) evenzeer als Hij zich door oefening en door een ijveren om Zijne gaven laat ontwikkelen (1 Cor. XIV 1). Als een kind vangt hij aan in het hart, waar Hij door het geloof binnen treedt, en daar begint Hij den strijd tegen het vleesch, om den geest des menschen van allen band en beknelling des vleesches, van trap tot trap al meer en meer te bevrijden Maar in die langzaam ontwikkelende werkzaamheid des Geestes komt het er vooral op aan; hoe gij u daarbij gedraagt; of gij tegen- dan mede werkt: of gij u wilt laten leiden door den Geest, dan of gij de verzenen tegen de prikkels slaat. ZoodanM. B! zegt niet: »ik heb den Geest niet," want ik gevoel geene krachten en ik zie geen teekenen" — want de Geest laat zich niet tasten en zien, maar ge-

Sluiten