Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aard, oorsprong en gevolgen van het dood geloof.

JAC. II: 14.

VOORZANG Ps. XIX: 1, 4.

Geliefde Toehoorders! Het is eene aloude beschuldiging, die tegen de leer der genade wordt ingebragt, dat zij voedsel en vrijheid zou geven tot het onbeschroomd overtreden van Gods wet. Reeds de Apostel Paulus had zich tegen deze beschuldiging te verdedigen, daar sommigen van hem zeiden, dat hij door zijne prediking aanspoorde tot zondigen, opdat de genade te meerder worden zou. Na hem hebben al degenen, die op zijn voetspoor den weg ter zaligheid betraden of verkondigden, steeds met dezelfde tegenwerping te worstelen gehad; en ook wij, die geen ander Evangelie, dan het zijne willen en mogen prediken, hebben dagelijks dienzelfden strijd met de tegensprekers te strijden.

De oorzaak van dit verschijnsel is geenszins daaraan toe te schrijven, dat de Apostel en zijne trouwe volgelingen de leer der genade onvoorzigtiger wijze eenzijdig voorstellen; integendeel, zij zijn het juist, die het ernstigst op heiligmaking en op de vreezeGods als vracht der genade aandringen. Maar er zijn onder degenen, die deze genadeleer aanhangen, helaas velen, die door hunnen ongeregelden levenswandel regtmatigen grond tot deze beschuldiging geven. Niet de leer der genade zelve, maar hare valsche toepassing bij velen harer belijders geeft aanleiding tot dien grooteq laster. Dit werd reeds in de dagen der Apostelen op de treurigste wijze bewezen. Men schermde met de woorden geloof en genade en had er den ganschen dag den mond van overvloeijende, maar in den dagelijkschen wandel en in het gemeentelijk leven gedroeg men zich op eene wijze, die zelfs de ongeloovigen met regt ergerde. Voor

Sluiten