Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het groote, alle werken Gods omvattende werk des geloofs is de liefde, die zich in het gansche leven en streven, zitten en staan des menschen uitstort. En de liefde, schoon zich in daden openbarende, is echter zehe niet eene daad, maar zij is eene van God gewerkte, uit, in en tot God levende gesteldheid en neiging des harten, een leven des Geestes (^ods in den mensch, dat in 's menschen doen en laten en in zijn gansche wezen naar buiten uitstraalt. En wie iets van het leven en werken dier liefde kent, die zal het mij toestemmen, dat een mensch met zijne lippen dikwijls zeer geloovig en regtzinnig spreken en in zijnen wandel zoo onberispelijk zijn kan als de naauwgezetste farizeër, en evenwel die liefde des harten kan missen. En daarentegen kan iemand, die met groote verzoekingen te strijden of eene hoogst weerspannige, begeerlijke natuur in zijn ligchaam te bekampen heeft, soms, ja menigmaal zeer diep vallen, en echter in zijn wezen iels openbaren, dat u door al die zonden en zwakheden heen ' diep in het hart treft en roert, en u de bekentenis afdwingt: «Hier is toch iets, dat uit God is; iets dat ik bij gindscheH • onberispelijken niet vind; iets dat mijne ziel treft en verrukt »en mij tot beminnen noopt." Ik bedoel, M. H. eene zondares, gelijk die welke in des onberispelijken Simons huis in tranen van droefheid en liefde aan Jezus-voeten neerzeeg, en niet ophouden kon van ze te kussen. Ik bedoel eenen Petrus, dien schandelijken verloochenaar zijns trouwen meesters, dien zich zeiven vervloekenden meineedige, maar die dit toch bezat, wat onder al die zonden niet had kunnen vernietigd worden, namelijk dat bij voor Hem, die alle dingen wist, kon zeggen : Gij weet dat ik u lief heb! Die liefde, M. H. is het groote werk des geloofs en waar iemand die liefde niet heeft, al heeft hij ook een geloof, dat hij bergen verzetten kan, zoo is hij echter niets, een klinkend metaal en eene luidende schelle. Dat is de leer der Apostelen, van Paulus, zoowel als van Jakobus. Het geloof, werkende door liefde, zeker dat alleen maakt zalig, en zoo iemand die werken des geloofs niet heeft, zoo is zijn geloof dood en onnut.

Nog eens, ik durf niet onvoorwaardelijk besluiten, dat iemands geloof bewezen is dood te zijn, wanneer hij in vele werken der wet te kort schiet; noch ik durf iemands geloof niet onvoorwaardelijk als levend prijzen, zoodra hij bewezen is onberispelijk te zijn, in de werken der wet. De liefde, de liefde alleen is hier de geldige toetsteen, maar men moet zelf in de liefde zijn, om de liefde te kunnen herkennen. Alleen zoo ik één kenteeken aangeven zou, het zou dü'üfc

Sluiten