Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doffen nevel vau zulk een geloof blijft het hart dan ook onveranderd, gelijk het van de geboorte af aan geweest is. Het gansche vleeschelijke, zelfzuchtige, wellustige en afgodische leven kan daarbij in al zijne lengte en breedte ongestoord voortgezet worden, terwijl men dat geloof, als een oud erfstuk, alleen bewaart, {om in ernstige oogenblikken, die men toch niet altijd ontwjjken kan, iets te hebben, waarmede men de ledige ruimte, waarin de wereld toch kwalijk past, op gemoedelijke of geruststellende wijze vullen kan. En zulk een geloof, — hoe kan het anders? — dat buiten het eigenlijke leven des menschen omgaat, voeat en plooit zich dan ook in alle rigtingen en gedaanten, zoodra het hoofdbelang des levens dit slechts vereischt. Het is vrijzinnig of stijfzinnig, kerkelijk of onkerkelijk, al naar gelang de omstandigheden zulks vorderen, al naar gelang de geest der|eeuw het gebiedt. Men is uitgelaten of ook zeer ingetogen, onbarmhartig of ook zeer milddadig; gewetenloos of ook zeer naauwgezet, doch dit alles uit eigenbelang, uit genotzucht, uit eerzucht, uit vleeschelijke gemoedelijkheid, of waaruit dan ook; maar het geloof heeft daarmede niets te maken.

Bij sommigen ligt echter dat geloof nog iets dieper geworteld. Het menschelijk hart is hoogmoedig tot in den kern van zijn wezen, en ook dit hoogmoedig hart kan het geloof aangrijpen ten dienste zijner trotsche ontwerpen. En hierin is de hoogmoed van dat hart het meest openbaar, dat het zich zeiven zaligmaken wil, door de kracht van zijn eigen doen, door de wet Gods te vervullen uit kracht van eigene geregtigheid. Dat hoogmoedige hart erkent volstrekt niet, dat zijn toestand te hopeloos is, om aan eenig herstel door eigen werk te kunnen denken. Het begeert zalig te worden en is geenszins onverschillig over zijne eeuwige toekomst, maar het acht ook zijne kansen nog schoon, daar het zijn hopeloos verderf, zijne onmagt ten goede, niet beseft. En de mensch, die in deze blindheid verkeert, kent en wil niets anders kennen dan de wet, en alles wat God hem aanbiedt neemt hij aan als eene wet, aan wier vervulling hij zijne krachten beproeven zal. Zoo neemt hij dan ook het geloof, ja het geloof der genade, als eene zaak van wet aan, die hij doen wil, opdat hij zich daardoor zaligmake. Ook dat is eene der vele wangcstalten van het Christendom onzer dagen. Men gelooft, ja daar is geen punt, geen titel of jota in de geloofsleer, dat men niet (jelooft; men beeft al de stukken ter zaligheid geleerd, onderzocht, in haar verband beschouwd, en men staat zoo zuiver in de leer als de zon aan den hemel. Dien overeenkomstig gaat men ook ten tempel; bidt, zingt, houdt avondmaal en deelt aalmoezen uit,

Sluiten