Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het voorgelezene tekstwoord gaf mij als van zelf aanleiding tot deze opmerkingen. De Apostel staat als het ware in den geest op de grenzen tusschen twee scheppingen. Hij ziet rugwaarts op de aardsche vergankelijke schepping, waarvan Adam het hoofd is; hij ziet voorwaarts op de eeuwige, geestelijke (maar daarom niet minder ligchamelijke) schepping. Hij ziet eindelijk hoe door Christus Jezus, de laatste uit de eerste zal geboren worden, even als de verheerlijkte Christus, die nu leeft, als het ware geboren is uit dien Christus, die als een Man der smarle in dit stof heeft omgewandeld, en door den dood heen uit dit verderfelijke leven is overgegaan tot het onverderfelijke. Maar de Apostel ziet ook dat de Heer deze groote verwisseling, onder zoo veel smarten en barensweeën beeft tol stand gebragt, opdat Hij als het ware de Overste Leidsman zijn zou van de tegenwoordige verderfelijke Schepping, om haar langs het pad, dat Hij gebakend heeft, over te voeren uit den staat der verderfelijkheid tot dien der onverderfelijkheid, waarin Hij thans reeds leeft. Bij het licht dezer groote waarheid, ziet de Apostel de tegenwoordige schepping als het ware zwanger van dat nieuwe, onverderfelijke leven, hetwelk door Christus .uit haar zal geboren worden, ten dage namelijk, wanneer uit deze oude hemel en aarde, door de wonderlijke werkingen Gods, de nieuwe hemel en aarde te voorschijn treden zullen. (Jez. CS vs. 17). Daarom beschrijft de Apostel de tegenwoordige schepping in het beeld eener vrouw, die in barensnood is, en met smachtend verlangen naar het oogènblik reikhalst, waarop zij van bare smarten ontbonden, het nieuwe schepsel ten leven baren zal. (vs. 22). En wat de Apostel in het algemeen met de gansche schepping in de toekomst gebeuren ziet, dat ziet hij evenzeer gebeuren met zich zeiven, als die thans nog een deel dezer schepping uitmaakt. Ook wij, zoe zegt hij, die de eerstelingen des Geestes hebben; ook wij zuchten in ons zeiven; ook wij verkeeren in diezelfde barensweën die de gansche schepping zuchten doet, want wij reikhalzen evenzeer als zij naar eenen ophanden zijnd en staat der vernieuwing. Dat' de Apostel hier niet zoo zeer de Vernieuwing des harten of des gemoeds op het oog beeft waarvan hij op andere plaatsen spreekt (Eph. 4 vs. 23) is hieruit duidelijk, dat hij zijne merkwaardige beschouwing van deze. schepping besluit met.de woorden van onzen tekst: wij verwachten de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes ligchaams. Het is het ligchaam dat de Apostel',thans bepaald op het oog beeft, wanneer hij over het nieuwe leven in de toekomst spreekt. Ik acht dit oogpunt, waaruit de Apostel voor deze keer de groote verlossing in Christus beschouwt, hoogst merkwaardig, gewigtig en

Sluiten