Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//ik bemerk nu, dat het niet altijd nuttig is, alles vooruit te zien 1"

// Vooral," voegde een zijner broeders hierbij, //vooral, wanneer men zoo verkeerd ziet als gy !"

Alsnu sprak de vader: //Uwen broeder overkwam, in dit kleine ongeluk, evenmin iets zeldzaams, als ulieden in het blinde geluk. Duizendtallen komen in den grooten vrachtwagen des levens, achteruit rijdende en zich op eenen goeden koetsier verlatende, even zoo veilig door de wereld, als vele anderen, die zich op den bok plaatsen om elk gevaar te ontwijken. Met de jongen zien zij naar achteren, met de ouden naar voren."

// En waarom dan juist naar achteren met de jongen en naar voren met de ouden?" vroegen de jongere broeders.

Op deze vraag antwoordde hun verstandige vader aldus : //Het gezigt," sprak hij, //dat naar achteren ziet, verzamelt, even als de jeugd, eerst ondervinding; dat hetwelk naar voren ziet, gebruikt, zoo als ook de ouderdom dit doet, de verkregene ondervinding, om door haar rigtiger te oordeelen en verstandiger te handelen dan uw broeder deed. Heil echter hem, die voor de laatste, of meer oude wijze van zien niet eerst eenen langen baard afwacht!"

Levenswijsheid van den ouden heer Witt.

I.

De heer tobias witt was uit eene stad geboortig, die niet onder de grootste van het land geteld werd, en

had nooit veel verder gereisd dan tot aan de omliggende dorpen. Desniettegenstaande had hij van de wereld en het leven meer gezien dan menigeen, die zijn vermogen in Parijs of Londen had verteerd. Gaarne verhaalde hij allerlei vertelseltjes, die hij hier en daar had gehoord of meestal zelf ondervonden had. Deze vertelsels hadden weinig dichterlijke verdienste, maar zoo veel te nuttiger waren zij voor iemand , die ze verstandig op het menschelijke leven wist toe te passen. Daarenboven hadden zij nog dit vreemde, dat er altijd twee bij elkander behoorden.

Op zekeren tijd prees de heer till , een jonge kennis van den ouden heer tobias witt, den laatste zeer wegens zijn verstand.

//Kom, kom!" zeide, snoepig lagchende, de oude witt, //zou ik werkelijk zoo verstandig zijnP"

//Iedereen zegt het, mijnheer witt, en daar ook ik gaarne een verstandig man zou willen worden, zoo "

//Wel nu, mijn waarde heer! als gij dat wilt worden , dat is gemakkelijk. Gij moet dan maar goed opletten, mijnheer till! hoe de gekken hunne zaken verrigten."

//Wat! Hoe de gekken hunne zaken. verrigten ?"

//Ja, wezenlijk, mijnheer till! En vervolgens moet gij het anders doen!"

// Bij voorbeeld ?"

//Met genoegen, mijnheer till! Zoo, bij voorbeeld, leefde in mijne jeugd een oude rekenmeester in deze stad, een dor en stroef mannetje, veit geheeten. Deze liep, of beter schoof altijd, bij zich zeiven mompelende , over de straat. Gedurende geheel zijn leven sprak hij met niemand. En iemand in de oogen zien •— o! dat deed hij nog veel minder; altijd zag hij knorrig voor zich neer. — Nu, mijn waarde mijnheer till! hoe

Sluiten