Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitbreidende, om den laatsten doodsteek toe te bréngen aan alle zedelijkheid dezer onsterfelijke zielen?

Nu komen alle degenen, die gestolen hebben. Maar welk een verschil is er tusschen de ellendeling uit het slechte leven, die de beurs stal van den wellusteling, of het dienstmeisje, dat een weinig pronkzuchtig zich eene kleedij toeeigende, of de maagd, die in vrolijken moed eene flesch wijn stal, opdat de vrienden in de keuken het ook goed mogten hebben, als de heeren daar boven vrolijke gelagen houden? Plaats die twee naast elkander, de eene lang onteerd, de andere nu eerloos geworden; hoe zal de eene de andere verleiden! Hoe heeft dat booze wijf in de vroegere gezellin van haren ontuchtige n handel eene handlangster om hare belangen voort te zetten! hoe wordt de zonde hier zoo onschuldig gemaakt, de misdaad zoo algemeen, de zinnelijke genoegens van het wellustig leven zoo bekoorlijk voorgesteld! Zeg mij, wie zoude zulk eene stelselmatige zielverpesting kunnen bedenken, als alleen in eene maatschappij, waar regtvaardigheid geoefend wordt om de uiterlijke vormen der maatschappij te handhaven, reikende tevens den vorst der duisternis de regterhand, om op alle mogelijke wijze slaugengift, adderenzwadder over de onsterfelijke ziel uit te storten? O grondelooze put van jammer, denk ik vaak, Gij maatschappij, van uwe academiën af, waar de jeugd, die eenmaal het land zal regeren, de leerschool van alle ontucht intreedt, gelijk mij nog bleek, toen ik op mijne reis van Gouda op Amsterdam, in Leiden met een paar studenten voortreizen moest, wier liederlijke gesprekken, godonteerend vloeken, braveren op zuipen en hoereren, mij zoo schrikkelijk voorkwamen, dat ik dacht: gisteren in de gevangenis, heden hier: het is dezelfde geest der wereld! Ik zeg van uwe academiën

Sluiten