Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als menigeen dezer ongelnkkigen tot ons komt, dan staart dat oog zoo wild, zoo vrij, zoo schaamteloos. Het is dan moèijelijk dat gelaat, dat van bleeken noch blozen weet, te verduren. Maar eerlang keert er iets in dat harte weder, dat het oog doet nederslaan: dan wordt het zoo anders. Menigmaal zagen wij reeds die verandering, dan is dat schepsel teruggekeerd tot iets, waarvan het vreemd was geworden. Een ander waas is er over uitgestort, een andeTe houding is daar: het ziet uit andere oogen. Het is dan beter daar binnen. Zeg mij, zoudt gij denken, dat dit midden onder de zonde, omringd van de woeste toonen der verleiding en bij den dartelen blik van zoo menig onbeschaamd oog, zoude wederkeerenP O! het keert zoo moèijelijk weder. De verzonkenheid is al te diep. Hier nogtans hebben wij deze verandering meermalen aanschouwd, en verheugden ons! Het Asyl heeft ook die beteekenis, dat het nog aanwijst en bewijst dat ook voor de zoodanigen wederkeering is, en wat het eerste begin dier wederkeering zij.

Denk verder niet dat het eene kleine zaak is, dat het Asyl daar niet alleen staat als een toevlugtsoord voor boetvaardigen, maar ook als eene getuigenis tegen onboetvaardigen, en — verleiders. Is het niet als of de tegenstelling van verderven of redden daardoor eerst voor het geweten duidelijk moest worden. Wie zijt gij, een die op de onschuld loert om ze te bezoedelen, of een die alles doet om de schaamte, het fijnste en edelste gevoel der menschheid in het arme schepsel te herstellen. Een die begeert eenmaal onder de duivelen of onder de engelen geschaard te worden ? Hoe meer de reddende liefde openbaar wordt, hoe meer het Asyl dit allen toeroept.

Sluiten