Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koningen.

1 /18: 1-7. Twee van 't bedrijf der Koningen, en hun geschiedenis 8-40 Met wat er met Gods dienaren, ook voorgevallen is.

1/17 : 2. Toen het woord des Heeren, tot Elia's kwam,

#Gij verlaat uw huis, en ook uws Vaders stam/'

1/17: 8. Ga weg van hier, en wendt U naar het Oosten „Ik verlaat U nooit, Ik zal U vertroosten."

Keonijken.

1/1 : 1. Twee Boeken der Kronijken leeren,

// Des menschen val, de trouw des Heeren.

, 2/15 : 8. Israël is vele dagen,

// Zonder waren God geweest,

u Zonder de Wet //Gods te vragen"

w Zonder Priester //naar Gods geest."

2/15: 4. Maar als zij in hunnen nood,

(//Want God wilde niet hun dood,")

// Zich bekeerden, tot den Heere

// Den God Tsraëls //ter eere,"

// En Hem zochten „,hoe vol zonden,"

» Zoo werd Hij, van hen gevonden.

ESEA.

7 : 10. Esra had zijn hart gerigt,

lii (//Als een Priester Gods verlicht,")

10. Om in de Wet des Heeren

u Te zoeken »en te leeren."

7: 9. Gods goede hand was over hem,

7. Toen hij kwam te Jeruzalem,

13. Met den last Gods welbehagen,

9: 10. In den Tempel, voor te dragen.

Nehemia.

1: 2. Nehemia, van Joodsche stam,

// Vraagt Hannaï, die tot hem kwaml

(»Daar hij thans in aanzien is,") * Naar der Joden wedervaren, f Die van de Gevangenis, » Nog overgebleven waren.

1 : 3. Hij verneemt met deerenis,

// Dat men aldaar in het land,

// Als in de Gevangenis,

// Tegen hen te zamen spant,

7: 9. 7. 13.

9: 10. Nehemia.

1 :

Sluiten