Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige belofte Gods, tot onze zaligheid, kunnen handelen.

. 2. Eene Evangelische belofte kan nooit opregt-geloovig dooi ons worden aangenomen en omhelsd, ten zij , wij eerst van God zeiven , door de werking van Zijnen Geest, tot ontvanging van dezelve regt bekwaam en vatbaar gemaakt zijn» Niemand zal eerder een' aangeboden pardon , aannemen , dan na dat hij zich schuldig heeft gemaakt, door eenige misdaad, aan de straf door de Wet daarop bedreigd, en daarover gansch verlegen bij zich zeiven zijnde ,geen' anderen weg voor zich geopend vindt, om vrij te ge-

eo, - zonde zijne zware zunie. schuld tegen dien God en dien Middelaar Geds in hec lichc Zijnes aanschijns ziende, - vreest hij eerder hec tegendeel, verbaasd en beschaamd over zulk een hart als het zijne , en dat onder zulk eene schuld en zulk eenen toestand, maar alzoo dan met eene geheel ledige hand (Jes. 55: 1.) doch belast qet dat alt.es , in de betrekking van eenen God.delooze, buiten Christus ge. meen£chap, «ander God ala Zijnen God, zonder vrede en leven Gods te zijn , den volmaakten Middelaar van hec eeuwig Verbond der genade en der verzoening geloovio aantenemen en ce omhelzen als eene vrije en onberouwelijke en onuitsprekelijke Gave Gons Joh. 4: 10,14) aldus in Hem te gelooven ter regtvaardigheid (Rom. 1: 5. zoï 10. 1 : 16 en 17. Filip. 3: 7—9. Joh. 6t 35, 53, 54. alzoo door Htm ttt Gti tl gaan (joh. 14 :<5. Hebr rs «5. 10: 17 — 23.. « Pet- 1 '• R°m. 5 : 1 —11.) terwijl de htn.heiligtnde zoo wel als zaligende uitwerkselen en vruchten die aan hetgeloof (als hec allereerste begin, Hebr 11 : 6a en het eenige ware , zuivere, levendige , blijvende beginsel van Gode» leven (Gal. 9 :19, 20} in eene zalige liefde-dienst (5 : 4, 5. 2 Cor. 5: 14, 15. 1 Tim. x 1 5.) door den Geest der Waarheid, (diebenevens deszelfs ware voorbereiaio g in hec hart, dac geloove werkt), in hec Woord der Waarheid, daaraan vastgemaakt, niet feilenI (Matth. 13: 23) Hoe ware dat mogelijk 1 God zal Zijne Waarheid nimmer krenken! Kum. 13: 19. Rom. 3: 4*

Sluiten