Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne is, zoodra hij het slechts, met een verslages gemoed, opregt geloovig, uit de hand van Gods genade , om niet alzóó begeert te ontvangen en aantene-

het vleesch (i), wel zeer verre van gekruisigd (2) ia tegendeel gevleid en gevoed wordt, (Col. ai 23, Lak. 18; n, 12, tegen over Vs. ij, 14a) zie ook Gal. 5. tegen over Vs. 5 en 6, de voorgaande versen 2 — 4; door deze laatsten wordt immers, (blijkens bannen overgang tot het Christendom en, des Apostels driewerf herhaalde , zoo onuitsprekelijk veel, (in de tegenstelling van de twee uitersten voor eeuwig) ia zich bevattende betuigingen) ook Christus, en het geen ook dan nog genadé genoemd wordt, geenszins bniten gesloten; Cimmers ook Luk. 18: 11 en 12. nietl) denkelijk zelfs wel op dergelijke, als de zoo even voorgestelde voorwaardelijke wijze, op den voorgrond geplaatst; het woord vervallen , geeft stellig te kennen, dat zij dezelve voor zich wel ter dege insloten. Waartoe ook anders, die met zoo veel nadruk herhaalde betuigingen, van den Apostel, indien zij zelve Christus verdiensten en do genade Gods, op grond derzelve, geheel buiten sloten? indien zij niet, (welverre van in den grofsten zin de zaligheid te willen verdienen, neen 1 maar) vooreerst, door zulk een soort van geloef als wij voorstelden en, als Matth. 131 20 en 21. wordt aangeduid, bijzonder met het woord terstond; (derhalve zonder voorafgaande geestelijke overtuiging van, (geenzins persoonlijk voorbijgeganen maar van) nog tegenwoordig aan 'smenschen zijde, volgens het geopenbaarde Woord Gods beschouwd, in allen nadruk bettaanden zonde, en ellende-staat, bij onafgebroken vermeerderende en zeer verzwarende schuld , tegen de Liefde-Wet van God, (in derzelver Waren geestelijken zin), en tegen het Evangelie;) en dan vervolgens, door met zulk een soort

(1) joh 3: 3, <S. Rom. 8t 7, 8. eo andere boven aangehaalde pil,

(2) Gtl, 5; 24, 6: 14. 1'Joh. 2 j 15».

Sluiten