Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar over de waan-geloovige en de schijri-Chnsrott* zich weinig in zijn hart bekommert, als hij zoodanigmaar mag schijnen bij de menschen.

5. Een ware geloovige, houdt de beloften, als een gansch ellendige, met een hand des geloofs vast, en zijn hart kleeft en hangt daaraan, en steunt daarop, zonder die beloften te willen loslaten. Even als iemand die schipbreuk lijdt, een' plank of een' balk van het verbrijzeld schip aangrijpt, en zich daar zeer sterk aan vast houdt, als aan het eenigste stennsel het welk hij heeft, en waardoor hij zijn leven hoopt te redden. Zoo zijn ook de Evangelische beloften , het eenigste stennsel voor de ziel van een arm in zich zeiven verloren , maar geloovig zondaar, die met zijn hart waarlijk naar Gods genade hongert en dorst, en die buiten dezelve zijn leven voor eeuwig kwijt is. O ! als bij die dierbare en genadige beloften Gods (x) moet

aan Zijne heilige Liefde-wet, zie Psalm 119. geheel; eene hinderlijke vreeze des Heeren , de vrucht alleen van dat geloof door de liefde werkende. Gal. S: 4,8.; welke alle andere vreeze, ook die eenen schoonen schijn, en waan en naam, eene gedaante van godzaligheid aanneemt (1), buiten sluit. Rom 8: IS. 1 Joh. 4: 10 — 19.

Cz) in de volle verzekerdheid dei iprigten gelieft (zie de zoo even en meermalen aangehaalde pil Rom. s» i, a. Hebr. lot 22, 33. en andere) zonder welke, hij niet ééne belofte, geen heilgoed, als het zijne zich eigenen mag, en ook op zich niet kan, noch zal toepassen: maar in tegendeel, zoo blijvende, — (dewijl er geen tnsschenstand ia)— volgens het oordeel der Goddelijke Regtvaar.

(O Zie vas, 1 tn 4 en het daarover te voree aangemerkte. Ook Col e» 23.

Sluiten