Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenden, hem zijn hoogen rang zagen innemen; neen, dat alleen zou mij niet noopen, om hier mij te beschouwen als de tolk van aller gevoelen. Wat eene weduwe betreurt, die een onverstoord huwelijksheil beweent, dat zou mij verpligten in de woning, waarin ik bij lief en bij leed heb verkeerd, in haren rouw te gaan deelen. Wat ik zelf verloor in den vriend, aan wien ik, sints de laatste twaalf jaren mijns levens, door innige banden verbonden was, dat zou mij de vrijmoedigheid niet geven, om openlijk over zijn afsterven te spreken, wiens dood als een droeve maar door de stad heeft weêrklonken. Maar wat deze gemeente mist; de broederschap, mij zoo lief; de kring mij zoo waard, dat doet mij spreken over hem, van wiens plaats zoo vaak een belangstellend, een met tranen bevochtigd, ik mag wel zeggen, een dankbaar oog naar dit gestoelte opging.

Zoo zat hij daar, veertien dagen geleden, toen wij het haast verstreken jaar herdachten; toen wij dankten voor onze voorregten, toen wij spraken over onze beproevingen, toen wij onze schulden beleden, toen wij ons voornamen, om voortaan te zeggen: mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd.

Nu spreekt hij het daar, waar alles Gode leeft en Heft.

Wat hebt gij veel verloren, geliefde gemeente! aan dien broeder, wien het Christen zijn zaak van hart en leven was. Ik, die hem van zeer nabij heb mogen leeren kennen, ik mag in 't openbaar

Sluiten