Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo eens noemen, mogen — van onvolgroeide en volgroeide lidmaten der kerk.

De lidmaten der kerk, die nog in hnnne kinderjaren zijn, komen als volgroeide lidmaten nog niet uit,

Zij komen ten Avondmaal niet, wijl het geloot', dat is de personeele openbaring des geloofs, door het Avondmaal' geëischt, door hen nog niet kan worden geopenbaard, en ook, omdat zij, door nog niet genoegzaam onderwezen te zijn in de dingen van het Koninkrijk Gods, het lichaam des Heeren niet onderscheiden kunnen.

Daarin ligt echter ook uitgedrukt, dat zij niet langer geweerd mogen worden dan tot tijd en wijle'die onderscheiding des verstands komt.

Koeping der kerk is het te dier tijd deze jonge lidmaten zoo gevormd te hebben, dat het H Avondmaal uit behoefte kan worden gezocht.

De kerk moet hare jonge lidmaten opvoeden.

Daarom hangt er allereerst zooveel van af, hóe de kerk zelve over deze jeugdige lidmaten denkt.

Zal ze opvoeden , dan heeft ze eerst zich rekenschap te geven, wie zij op te voeden heeft.

lu het natuurlijke is het zoo: de vader, die zijn kind wel opvoedt en voor het leven bekwaam maakt, zal letteu op en rekenen met de gaven en krjehten en den annleg, waarover het kind beschikt.

Geheel zijne opvoeding strekt 'er toe, om zijn jongeu zich rekenschap te doen geven wie hij? is, wat hij heeft, wat hij kan en wat hij moet: opvoeden is ontwikkelen en vormen en bruikbaar maken van wat het kind heeft.

En zoo nu moet het de kerk met hare jeugdige lidmaten ook.

Zij is het niet, die het geloof in de harten plant; maar door haren dienst behaagt het den Heere openbaar te maken- en zijn kind te doen genieten, wat Hij in het harte wrocht.

Daarom arbeiden wij aan onze kinderen als lidmaten der gemeente, omdat wij uit kracht des verbonds er van uitgaan, dat God zijn werk in hunne harten heeft.

Wie zijn doops-formulier goed verstaat, weet toch, dat het ge-

Sluiten