Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. Gelijk een licht schijnende in eene duistere plaatse , aan de daar tegenwoordig zijuden ontdekt de wanorde, die daar plaats heeft in die plaatse; de vuilheid van de plaatse, de vijanden binnen de plaatse, de zaken in derzelver vergrootende omstandigheden voorkomende ; — ontdekt het licht ook aan de daar vertegenwoordigden deszelfs onbekwaamheid , om door eigen kracht de zaken te brengen in zulk een staat, zoo als dezelve wezen moeten, hetwelk hem in de uiterste engte stort, en dien ten gevolge als een hulpbehoeftige uit verlegenheid zoude roepen. Alzoo ook die, in wiens hart het woord van God met kracht komt schijnen, als een licht, schijnende in eene duistere plaatse.

J. Die komt te zien de groote verwarring en wanorde , welke er is in zijn' staat en toestand voor God; hij ziet dan bij dat licht, dat ziels- en ligchaamsvermogens niet zijn in te werken voor den Heere, overeenkomstig Zijn uitgedrukt bevel, welkers zuivere heiligheid hem kenbaar wordt door dat licht; maar al zijne dagen als wapentuigen der ongerechtigheid tegen dat bevel gearbeid hebben in de zonde, en dat hij dus tegen God gerebelleerd heeft, en in opstand tegen den Almagtige zich heeft gekant en alzoo met de sprekenste' daden gezegd heeft tegen God: Wijkt van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust, Job XXI: 14, met den goddelooze.

2. Zoo een komt te zien in de grootheid zijner schulden , welke daardoor veroorzaakt zijn op zijn ziele, als in de tegenwoordigheid van een heilig, regtvaardig, alwetend, almagtig en goedertieren God ; hier ziet hij bij dat licht tegen wien dat hij de zonde heeft begaan en nog begaat, en wie hij is, die dezelve doet, hetwelk alles is tot verzwaring van den ondragelijken last zijner schulden, waaronder dat nu zijn ziele gebogen wordt, en uitroept: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezigt lot u op te heffen , o mijn God! want mijne ongeregtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven mijn hoofd, en mijne schuld is groot geworden tot aan den Hemel, Ezra IX: 6.

Sluiten