Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorzang: Ps. LXXIV: 1, 2, 11, 19, 21.

voorafspraak.

Het zwaarste onder de oordeelen, welke God zijn volk toezend, is de geesteloosheid des harten: want die geesteloosheid is een. onfeilbaar teeken, dat de Heer van zult een volk gelieft te verhuizen (Ezech. IX: 3, 5, 8, 9, 10 en XI: 22, 23. Openb. II: 5.); en als de Heere weggaat, dan verliest men alles (Jer. XVI: 5.), en men haalt op zich allerlei kwaad en oordeel (Hos. XI, 10,11, 12.) Een onfeilbaar teeken van deze verlating Godes is, als de waarheid die ons moest vrijmaken (Joh. VIII: 82.) ons hart niet heiligt tot zelfsverzaking (Tit. II: 11,12. Jac. 1:18. 1 Petr. I: 22, 23.), en alzoo niet doet wandelen door den Geest. (Gal. V: 25.) De hoogste trap van deze geesteloosheid is, als de geestelooze doodigheid zoo ver de overhand heeft, dat men in dien droevigen staat zich zeiven gerust te vreden houdt en-gelukkig rekent (Joh. IX: 40, 41. Openb. III: 17.) Hierom is het de pligt van Gods dienaars, Gods volk hiertegen te waarschouwen; gelijk wij ons voorgenomen hebben te doen in deze ure, naar aanleiding der woorden, welke uwe aandacht leest in de daartoe door ons gekozene

Tekst: Ezech. XXXVII: 7, 8.

Doe propheteerde lk, gelijk mij bevolen was, ende daar werdt een geluid, als ik propheteerde, ende ziet, eeae beroering! ende de beenderen naderden, {elk) been tot) zijn fee». •.

Jinde ik zag, ende ziet, daar roerden zenuwen op dezelve, ende daar kwam vleesch op; ende hij trok eene huid over haar, maar daar en was geen geest in haar.

Sluiten