Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongemak, dien stank, die walgelijkheid welhaast te boven komen, en men zoude hun, naar chbistus voorbeeld, wel zelfs aanraken en helpen. Doch waar zijn zulke handen onder ons; waar blijven ook al onze andere handen tot alle liefdewerken ? "Wat doet men ten goede van onze authoriteit, met onze gezondheid, die een ieder naar zijnen staat van God heeft ontvangen? Wat voordeel krijgt Jezus zaak daardoor? Zoo hebben wij dan handelooze handen, en jyij grijpen niet aan, 't geen aan te grijpen was; men meent, dat men jeztjs heeft aangegrepen, en men bedriegt zich zeiven: want in chhistüs is de Geest des Levens (Rom. VIII : 2), en die Geest maakt de regte Christenen levendig £Toh. VI : 68. 1 Cor. XV : 45. 2 Oor. III ; 6.) 5. En wat het hart betreft, men mag van ons hedendaagsch Christendom zeggen, dat men een hart zonder hart heeft. David zeide eens (Ps,)CXIX : 32.) Ik zal den weg uwer geboden loopen, ah gij mijn hart verweidet zult hebben. Hij zeide ook aldaar, vers 10: Ik zoek Umet mijn geheele hart. Maar waar doet men onder ons zijn pligten met een ongeveinsd, met een levëndig, met een geheel hart? Waar is een hartelijke liefde tot Jezus? Geeft gij. Christenen, wel een stuiver voor Hem ten beste? Wilt gij wel om zijnent wille een eenige gunst van menschen derven? Immers werd nu ons verkondigd de verwijding des harten door de vergeving der zonden, door de overvloedige verrijking van zijne kennis, door den «vervloed van zijne vertroosting (Jes. LX l 5,) en door het bekendmaken van zijne weêrgalooze liefde met een uitgebreid hart. (2 Cor. VI i 11.) Maar waar is ons hart •Xerwijdet in vreagdie en blijdschap ? Wie loopt daardoor te vlijtiger in den weg van Gods geboden, waar doet men zulks boven de wederpartijen, die de regtvaardigttiaking uit genade bestreden ? En wie toont tooh, dat onze leer boven hunne leer krachtiger is, om ons tot hooger detig* den aan te zetten ? Men heeft dan onder ons een hart en geen hart. 6. Verder blijkt onze ongevóeligheiA flit ons levenloos gedrag omtrent de dingen, die ötfge natuur (tegenstrijdig zijn; paulus zeide eens (Bom. XII : 2,) dat men moet beproeven, welke de goede en welbe'hagende, en volmaakte wille Gods zij: en (Rom. II : 18, Phil.

Sluiten