Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten laatste, :.separeeren (dit zeg ik niet, om een onbehoorlijke afscheiding voor te sproken), en dan zal het ander, verdorven vleescli welhaast dor en droog en ten laatste, verworpen worden. Maar vanwaar komt toch ons dit verderf? ;'

Antw. 1.. De opperste oorzaak hiervan is de wijze en overheilige bestiering des Heeren, welke naar zijn vrije wil nog geen geest en leven heeft gelieven te geven, en die denzelven geest zal uitstorten dan, en in zulke mate,als het zijne Goddelijke genade zal welgevallen. 2. De enderooriaken zijn: 1. omdat de reformatie van den vleeschelijken mensch kwalijk is opgevat voor een reformatie alleen in de leer, en niet in de zedeu, en zoo als het toen is opgevat, zoo begrijpt men het ook nog tot den huidigen.dag toe. Hierdoor behouden wij wel een ligchaam der waarheid in de leer, maar men staat niet genoeg naar de verbetering in de zeden, welke zoo verre boven der Heidenen deugden moesten uitsteken, als het Christen heerlijk licht verschilt van de Heidenscbe duisternis. Dit nu was niet te begrijpen, zonder den levendigmakenden Geest; en, om dit nog wat nader uit den grond op te halen, zal ik eerst aanwijzen, hoe hét voor de reformatie in het Pausdom toeging, toen men daar zag, dat de Geest de Kerk verlaten had. En dan, ten tweede, aanwijzen, waarin de Reformatie, om dat gebrek te herstellen, te kort is gebleven. Bij voorbeeld: «.) wij leeren, dat de Heere Jezus zijn Kerk regeert door zijn Woord en Geest. Als nu de Heere geen Geest beliefde te geven, zoo zag men wel, dat de Kerk in duigen zou vallen en daaruit heeft men in het Pausdom verzonnen een Paus, enz., opdat er eene regering mogt wezen, welke kwam in de plaats van de regering door zijn Woord en Geest, b.) Wij verstonden, dat een ieder zijn beroep moest doen meteen geestelijk hart (volgens Phil. III: 20. 1 Cor. II: 15. Gal. V: 25.), maar men bespeurde, dat die geestelijke betrachting van ons beroep en in onzen ganschen wandel weg was;.men verzon dan eenige kloosters, daar men leefde zonder beroep, opdat men het hart mogt hemelsch houden, c.) Men wist, dat de ware aanroepers den Heere moesten aanbidden in geest en in waarheid (Joh. IV : 24.); als men dan bevond, dat een mensch door veel verstrooijingen van ge-

Sluiten