Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was de tweede keer, dat ik het zoo duidelijk ondervonden heb. Dien dag had het den Heere belieft, door Gods genade mijn mond te openen en mijn broeder het te mogen zeggen, wat de Heere groote kracht aan mij, dien armen verloren zondaar, gedaan had.

Bij Moeder van boord gaande, hield de Satan mij staande en zeide dat, als ik voorbij de poort van Het loodswezen ging, dan zoude hij mij den nek doen breken en ik bleef staan, doch riep tot den Heere die mij dadelijk bijstond. Toen juichte ik van binnen en zeide metDavid: met mijn God spring ik over een muur en met mijn God ga ik door een gewapende bende, want God was aan mijn zij. Toen ik aan boord kwam, mocht ik met lust in de Profetie van Jezaja lezen, 46, 47, 48 en 49. Ja ik zoude den geheelen Bijbel wel uit willen lezen, want God opende de Schriften, gelijk Jezus deed bij de Emmaüsgangers, was ons hart niet brandende in ons.

Maar daar eensklaps, nadat ik mijn dank toegebracht had aan Hem, van Wien ik het ontvangen had, en naar bed gegaan was en ik even neder lag of daar kwam hij, de Satan, mij aanvallen, dat nu al mijne deuren wel gesloten waren, maar dat hij die machtige was, om er in te komen. De angsten der helle omringden mij. Ik lag met mijn hoofd naar de zijde van het schip, ik moest naar de tafel kijken, daar zat hij als een groote zwarte man op mijn stoel en ik durfde mij niet omkeeren. De deuren hoorde ik kraken en in beweging.

Maar ik moest de wereld in gaan, hoe eer hoe beter. Toen kwam hij .„mij op het lijf, op voeten vallen; alhoewel ik, door genade, niet zag. ^Hij zei dat hij mij zoo dood zou drukken, als ik die weg uitging.

O, geliefde! groot was mijn benauwdheid. En dat kwam al hooger en hooger naar mijn keel, dat ik niet kon roepen.

Maar de Heere was mijn hulpe en ziedaar, die maakte mijn tong los en ik riep uit met luider stemme: O, lieve Heere Jezus, red mij toch, moet ik nu sterven onder deze klauwen, dan ben ik voor eeuwig verloren, wees mij arme zondaar toch genadig. Toen was het of de Heere met Zijn hand hem verdreef en ik kreeg lucht. Ik voelde nog een greep in mijn zijde, maar hij werd toch verdreven.

Maar de liefde en de blijdschap, die ik toen gevoelde, dat is met geen pen te beschrijven, zoodat ik uitriep, gij lieve Heere Jezus wat zal ik U vergelden. Gij zijt de machtige, mijn Redder.

Mijn dank was groot, zoo kreeg ik tot mijne groote troost: Ik zal dan gedurig bij u zijn, In al uw nooden angst en pijn; ach! ach! het is niet om uit te spreken. Daar ik dan die versjes niet wist te staan, omdat ik zoo dom in Gods Woord was, maar als dan de Heere van Hemel en Aarde het beliefde, dan kwam mij dat in eens in den Bijbel bloot, ach dan smaakte mijne ziel weder een heilrijk lot. Nu wil ik u dat vorig vermelde schip nog eens aanhalen, voor de bijzondere uitredding, door Zijne almachtige arm. Wonderlijk zijn Zijn wegen. Ik was des avonds besteld, om des morgens naar het schip te gaan, om te gaan ligten; daar het des avonds zeer buijig was, en ik in de binnenreede bleef liggen, daar het 's morgens een vroeg getij was. Bouwman had mij gezegd, dat ik met de Brouwershaven er uit kon sleepen. Hoe of dat nu was, daar wil ik niets van zeggen, of het een schijnbedrog was, weet ik niet, maar dit is zeker, de God van Hemel en Aarde, die ieders hart en nieren beproeft, en onze lieve Heere Jezus spreekt er een wee over uit. „Die haar aanraakt, raakt mijn oogappel aan." Mij komt de wraak toe, Ik zal vergelden spreekt de Heere. Zoo kwam ik des avonds aan boord en mocht op mijn knieën nedervallen en sprak mijn Hemelschen Vader aan en bad: Gij groote en goedertieren God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, ach dat Uw lieve geest nederdale in mijne ziele, opdat

Sluiten