Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde magtiging onderwerpt tot het aannemen van giften.

De derde door art. 1889, waai' verordend is, dat de gemeenten en openbare instellingen geene dading kunnen treffen, dan met inachtneming'der formaliteiten , voorgeschreven Aij; de wetten, die haar betreffen.

Het besluit, dat wij geregtigd zijn, uit ,de bijgebragte no. 2 en 3, art. 1690 en 1691, in verband met no. 1, of art. 625 te trekken, is hoogst gewigtig.

Het komt hierop neder:

De wet stelt zedelijke ligchamen volkomen gelijk met particuliere personen.

Even als particuliere personen, is de uitdrukking.

Zij bezitten dus ook hetzelfde eigendomsregt, 'twelk de Grondwet aan ieder, dat is, aan ieder particulier persoon, verzekert (1).

Zij hebben eigendom, of, volgens art 625 (2), het regt, om van eene zaak vrij genot te hebben, en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, behoudens de clausule, daarbij gevoegd en boven aangehaald (3).

Dit regt van eigendom , van vrij genot en van de volstrektste beschikking over denzelven komt dus zonder eenigen twijfel aan alle de in art. 3* en d genoemde instellingen van weldadigheid toe.

Maar behouden ze dat regt nog, wanneer eene wet zé onder haar verband neemt, of wordt dat regt dan jammerhjk verbroken ?

(1) Zie art. 147, aangehaald boven bl. 17.

(2) Burgerlijk Wetboek. (3) Bl. 18,

Sluiten