Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standigheid (1) gevoelt, blijkt duidelijk genoeg uit art. 26 van dat ■ reglement.

Daar wordt gezegd: » Diakenen zijn bevoegd, indien zij oordeelen, dat zulks" tot welzijn hunner behoeftigen kan strekken, zich in betrekking te stellen met het burgerlijk bestuur, en met de besturen over de instellingen van onderwijs en weldadigheid."

De Nederlandsche Hervormde kerk kent dus, naar hare innige overtuiging, geene bevoegdheid aan het burgerlijk bestuur toe, om zich met hare diakenen in betrekking te stellen, veel min, om hun wetten en verordeningen voorteschrijven, maar kent eene bevoegdheid, in omgekeerde rede, aan diakenen toe, en wel alleen in 't belang van hunne behoeftigen.

De diakenen, die de Synode in het reglement op het oog heeft, zijn zulken, die ongesubsidieerde diakoniën besturen (2), gelijk de Synode, blijkens art. 1, zich ten doel stelt, alle diakoniën tot ongesubsidieerde te verheffen, of als zoodanig eenmaal te mogen beschouwen.

Dat artikel toch luidt, volgens het eenige ware beginsel van Christelijke armenbedeeling: »het doel der diakoniën is , uit de bestaande fondsen en de giften der Christelijke weldadigheid, handreiking te doen aan behoeftigen der^Hervormde gemeente, en voorts hunne ware belangen ook op andere wijze voortestaan en te bevorderen."

De zelfstandigheid van het diakonaal beheer wordt daar verder nog nader aangeklemd, als, op het punt

(1) Boren besproken, sub o.

(2) Zie Synod. Hand., bl. 155, 156.

Sluiten