Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de punten van verhaal en verjaring, behandeld van art. 58—77, alsmede over dat der geschillen, art. 93—97, hebben wij niet uitteweiden. Het hoofdpunt in quaestie, dat het ontwerp geen regt heeft, omtrent een eenig van die onderwerpen, voor de door ons bedoelde instellingen, een voorschrift te geven , ligt in al het boven door ons betoogde. Het tegenovergestelde te beweren zou strijden met het eigendomsregt, met het zich zelve reglementen te mogen geven, zich aan derden of derden aan zich te mogen verbinden, eischende of verwerende in regten te kunnen optreden, ■—■ 't welk alles, gelijk wij zagen, aan zedelijke ligchamen, even als aan bijzondere personen, verzekerd is. Waarbij dan voor de kerkelijke instellingen bovendien de haar verwaarborgde godsdienstige vrijheid nog komt (1).

Er is echter onder de algemeene consideratiën der Memorie nog iets, dat wij niet mogen voorbijzien.

Er wordt ontkend (2), 'tgeen wij straks beweerden, dat men met het ontwerp zich ten doel heeft gesteld, een geheel nieuwen toestand te scheppen.

Geheel nieuw is die toestand wel niet, maar toch wel zoo nieuw, dat het bestaande in wezen en vorm wordt aangetast naar theoretische regels, die geheel buiten de praktijk liggen.

(1) Zie nog weder boven bl. 17 volgg. (21 Bl. 17, al. 3, van onderen.

Sluiten