Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het overkropt gemoed zich in tranen lucht moet geven. Mijne moeder heeft zulks herhaaldelijk ervaren, maar de laatste, droevige stonden waren verreweg het talrijkst. Zij had hare lievelingsversjes, en waar ik diezelfde regelen nog vaak door andere Christenen hoor herhalen, — daar denk ik steeds aan hetgeen zij eenmaal zeide: »Och, men kan zoo gauw hooren of iemand de tale Kanaans spreekt."

Het boek der Psalmen ging bij haar natuurlijk boven alles, maar waar zij met hare kinderen soms een ander lied mocht aanheffen, — daar was de inhoud van dat lied toch Bijbelsch; daar was de melodie niet zelden aan die der Psalmen gelijk.

't Zij mij vergund aan slechts een enkel couplet hier eene plaats te geven:

»Welk een voorrecht God te dienen! Welk een eer dien Ongeziene,

Wien de Seraf hulde hiedt,

Vrij te naderen met ons lied. Ja, laat ons dien Vader prijzen Die met duizend gunstbewijzen

Ons omringt en leidt en voedt, —

Zingt dien God, want Hij is goed!"

HOOFDSTUK VIII.

Een laatste brief:

»Bij de ontvangst uwer laatste letteren was ik verblijd en getroffen over de zielverkwikkende vreugde, welke u de Heere op dien avond schonk. Ik kan u goed verstaan en er mij dus ook een denkbeeld van vormen hoe gij gesteld waart. Op zulke tijden denkt men zoo te zullen blijven, en dan worden alle bezwaren, waar men anders zoo tegenop ziet, als uit den weg

Sluiten