Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geren. Wat buigt gij u dan zoo neder, o, mijne ziel, en waarom zoo onrustig in mij? Hoop op God! Gij zult Hem voor de menigvuldige verlossingen eeuwig loven. Gij zijt het toch im»ers niet vergeten hoe nu ruim 32 jaar geleden dit woord in uwe óel werd gedrukt, dat uw leven verlost was van het verderf en gij gekroond werdt met goedertierenheid?

Maar het blijft hier een strijd. Ik mis die kostbare gezondheid; ik lig bijna aan mijn leger gebonden, en de vijand mijner ziel wijst mij telkens op anderen, ouder dan ik, bij wie de rozen nog op het gelaat bloeien. Maar is dat dan een bewijs van 'sHeeren gunst? En zoudt gij uwen staat met sommigen van hen willen ruiten? Neen! De Heere zegt: »»Houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme."" Lazarus ging ten hemel, maar de rgke kreeg geen' druppel water ter verkoeling zgaaer brandende tong."

De schrijfster gewaagt in deze regelen van een »waardig predikant." Hij was het, die nog in betzelfde rampspoedige jaar als herder en leeraar te N. zou optreden om der gemeente het onvervalschte Woord Gods te verkondigen. Hetgeen bij aan de treurende moeder schreef is wel waard in ruimer' kring bekend te worden. Tevens kan het dienen als proeve van de vele troostwoorden, waaraan het in zalke dagen, hetzij mondeling of schriftelijk, nooit ontbreekt.

De brief luidt als volgt:

»'t Heeft Goée in Zijne grondeloos wijze liefde behaagd

uwe oudste dochter, dóe Hij u gegeven had, na reeds van u weg te nemen. Een groot verlies! Eene bezoeking, die u haard valt; eene moeielijke beproeving heeft Hij a hierdoor beschikt. Behoef ft u nog mijne hartelijke deelneming in dit nw lot te betuigen?

Toch moogt gij van mij Verwachten, dat ik u te kennen geef hoe ik nu reeds treur met de treurenden en den God aller vertroosting bidde, dat Hij u door Zijnen H. Geest vertrooste en Zijne bemoeienissen, die Hij in Zijne aanbiddelijke genade

Sluiten