Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgedonderd van het overige des menschdoms, dat even hierdoor langs zoo verder van God afweek en van Zijne dienst vervreemd werd, hoewel het en in getal en in magt en aanzien zoo het schijnt, de Godvreezenden merkelijk te boven ging. Zie Gen. IV: 17, 19, 21; VI: 1. Aldus afgezonderd, is de Kerk in stand gehouden van de dagen seths tot noach toe, door de opvolging dier mannen, die wij aartsvaderen noemen. Waarschijnlijk zijn dezen hoofden en regeerders geweest van de geslachten die tot de ware Kerk be-' hoorden. Wij mogen ons hen voorstellen als voorgangers in de Godsdienst, niet minder dan als bestuurders in maatschappelijke betrekking. Zij zullen de leer der waarheid verkondigd; het Evangelie, door God zeiven in het Paradijs geopenbaard en door mondeling onderwijs uitgebreid eu verklaard, gepredikt hebben, en daarbij de uiterlijke eerdienst, gemeenschappelijk te houden, geregeld en bestuurd. Onder hen waren profeten, gelijk henoch ; noach wordt genoemd »een prediker der geregtigheid." (Jud. vs. 14; 2 Petr. 11:5.) En aangezien in later tijd de eerstgeboornen in een geslacht het priesterambt bedienden en heerschappij over hunne broederen hadden, zoo is het te denken , dat die instelling uit dit tijdvak oorspronkelijk geweest is, en de aartsvaderen ook priesterlijk werk hebben verrigt.

Niettegenstaande deze bijzondere zorge Gods, kan de Kerk in dien tijd niet volkomen zuiver worden genoemd. In dje heilige linie (zoo als men het heet) buiten kaïns afgeweken nageslacht, hebben niet allen zich gehouden aan de onvervalschte leer der waarheid. Niet allen waren Godzalige menschen. Neen zeker; de Kerk was toen reeds als een akker, waar goede tarwe en onkruid te zamen opwast. Hoe lang de Kerk onder de nakomelingen van seth zuiver gebleven zij, is niet te bepalen; van kenan en MAHAtALEëL staat alleen hun leeftijd aangeteekend. Sommige schrijvers stellen het begin der verbastering in den leeftijd van jehed , en wel in het veertigste jaar zijns levens; terwijl zij van de hervorming ten tijde van enos tot op jehed een tijdverloop rekenen van 225 jaren.

Sluiten