Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is er, midden in het verval nog iets dat den zinkenden moed kan ophouden. Immers elia had nog een aantal medegenooten, -die zijnen strijd deelden, en in Sodom werd nog een regtvaardige loth gevonden. Waren er in Nederland, tijdens het verval, den afval, de diepe ellende van land en Kerk, geen opregten, geen welgezinden meer? Voorwaar, indiende Heere ons geen zaad had overgelaten, wij waren als Sodom geworden en Gomorra gelijk geweest. Ook in die dagen, ook in den tegenwoordigen tijd is er een overblijfsel in Nederland, naar de verkiezing der genade. Evenwel, de onpartijdige beschouwer kan het niet ontkennen, dat dit goud verdonkerd is en ook dit overblijfsel niet onbesmet is gebleven van het alom heerschend bederf. Trouwens, het oordeel begint van het huis Gods, de Heere bezoekt de overtredingen ook van Zijn volk en kinderen. Hij is hun eèn vergevend God, nogtans wrake doende over hunne booze daden. Helaas! dit overblijfsel geeft mede stof van treuren; hetzjj wij het beschouwen vóór den afval, of na dien tijd , hetzij wij opmerken hoe het zich nu aan ons voordoet.

In de laatste- helft der vorige eeuw waren er no"- wel veel Godvruchtige en ijverige Leeraars. Zij bestreden met mond en pen de leer der nieuwe Hervormers, zoo als men ze toen noemde, en te gelijk de dwalingen buiten onze Kerk. Zij verkondigden voor de gemeente de zuivere leer en behandelden de wederleggende Godgeleerdheid. Van hen mogt naar waarheid gezegd worden, hetgeen de Heer sprak tot den opziener der gemeente te Pergamus: «Gij houdt Mijnen naam en hebt Mijn geloove niet verloochend!" Maar minder van toepassing op hen was het getuigenis den opziener der Efezeren gegeven: »Gij kunt de kwaden niet dragen; gij hebt beproefd degenen die uitgeven dat zij Apostelen zijn en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden." Ongelijk kleiner was het aantal der zoodanigen die de heimelijk in de Kerk voortkruipende dwalingen te keer gingen , die niet besmet waren met hetgeen men toen het nieuwe licht noemde. Bij uitstek gering waren die Leeraren in getal, die in de toen

Sluiten