Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoort uittestrekken tot alle instellingen van weldadigheid, moet naar den oorsprong en den aard dier instellingen gewijzigd zijn.

Ten derden. Door de regeling van de betrekking tusschen de behoeftigen en de armbesturen, geeft de wet hun geen het minste regt om van het bestuur, waar naar de wet hen verwijst, onderstand te eischen, noch wordt in het minst verkort het regt van dat bestuur, om op het verzoek tot onderstand te beschikken, zooals het vermeent te behooren.

Ten vierden. De subsidiën, door de burgerlijke besturen aan kerkelijke en gemengde.instellingen van weldadigheid te verleenen, zijn niet geheel voor afschaffing vatbaar; maar de wet moet strekken, om dit noodzakelijk kwaad voor de toekomst en, zoolang het niet wél geheel kan worden weggenomen, binnen bepaalde»! grenzen te bepérken.

Ten vijfdén. De Grondwet veroorlooft- des noods herder te gaan en de geheele armenzorge als eenè publieke dienst te beschouwen; maar zóó ver te gaan schijnt thans noch noodig noch'nuttig.

Het gouvernement heeft zich, bij het ontwerpen der wet, niet ten doel gesteld een geheel nieuwen toestand te scheppen, waarvoor het tijdstip nog niet gekomen schijnt, maar het bestaande te regelen en zijne verschillende deelen in onderling verband je brengen.

In dit gedeelte der M. van T. wordt opgegeven, waaruit de Regering het regt ontleent om de wet voortedragen. Laat ons dan het eerst'daarover handelen, ómdat al het andere er van afhangt»

Sluiten