Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, waarom ook met provinciesgewijze opgaven aangaande de burgerlijke armbesturen geleverd zijn met aanwijzing der sommen, die uit de gemeentekassen aan hen besteed zijn: dan begrijpt men niet, waarom van het kwaad der subsidiën, aan diakoniën en gemengde armbesturen verleend, wordt gesproken en van het veel grootere "kwaad wordt gezwegen, dat de burgerlijke armbesturen in wezentlijkheid zijn.

In de M. van T. wordt ten derden als grondbeginsel voor de wet gezegd; dat zij geen regt geeft aan de hehoeftigen om onderstand te eischen: dat aan de armbesturen de vrijheid wordt gelaten, om den gevraagden onderstand al dan niet te verleenen. Maar waarom wordt er dan gespróken van armlastig, dat is wiens armoede ten laste komt en van goed van de armen, of goed dat aan de armen toebehoort? Waar is dat goed? Hebben de armen dan het regt om over dat goed administrateurs aan te stellen, het regt, om het kapitaal jen de interessen te genieten.? De wet geeft hun zelf het regt niet om er ondersteuning uit te eischen, en evenwel spreekt men van armengoed. Maar, zegt men, bij testament en anderzins worden gelden aan de armen vermaakt, aan de Hervormde of Luthersche, of Ropmsch Cathdlijke armen, is dat dan geen armengoed? Volstrekt niet in den zin, waarin men het hier verstaan wil hebben, als het eigendom der armen. Gesteld eens men moest die woorden voor of aan de armen van eepe gemeente in een eigenlijken zin opnemen; dan behoorde de gemaakte of geschönkene som aan hen uit de gemeente, die tot de armen dier gemeente op het oogenblik der

Sluiten